De trein had vertraging en dus ben ik de allerlaatste, uitgerekend ik, degene die ze vroeg haar tijdens deze avond te interviewen over de verschijning van haar debuut. Eergisteren hadden we met elkaar gebeld, op haar verzoek, om het voor te bespreken. We haalden herinneringen op aan die keer dat ik, student nog, een gastpraatje hield in een van haar colleges en hoe ze naderhand schuchter met een exemplaar van mijn boek op me af was gelopen, met de vraag of ik er voor haar moeder een handtekening in wilde zetten.

Als ik de boekhandel binnenloop, staat iedereen al om haar heen, toe te kijken hoe ze van achter een stuwdam van romans haar eerste handtekeningen zet. Allemaal kijken ze als één mens om; zij roept mijn naam en iedereen begint te klappen terwijl ik gehaast mijn jas uittrek en mijn spiekkaartjes uit mijn zakken vis.

Ze wist nog dat ik tegen haar had gezegd dat ze de enige was die zich onomwonden als een groupie gedroeg, openlijk zei hoezeer ze bewonderde dat het me gewoon was gelukt. Andere studiegenoten hadden simpelweg goedkeurend geknikt, op een rationele toon hun complimenten uitgesproken. Zij leken niet onder de indruk van het schrijven van een boek: zij verslonden ze net als ik per tientallen, dus waarom zou zo’n bijeengebonden stapel papier nog bijzonder zijn?

Behalve zij. Ik vertelde haar tijdens dat telefoongesprek dat ik in alle eerlijkheid was vergeten dat het zo gegaan was – dat ik me vooral nog de middag herinnerde waarop we samen in het park hadden gelegen en zij me had verteld over haar schrijfwens. Dat het haar was gelukt, had ik al maanden geleden gezien op Facebook en Instagram, waar ze haar schrijfproces uitgebreid had gedeeld, inclusief voortschrijdende woordenaantallen, inspiratietripjes naar het buitenland en de naarstige zoektocht naar een uitgeverij. Zo zelfverzekerd als die posts eruit hadden gezien, zo trillerig klonk haar stem nu, zenuwachtig als ze was voor de verschijningavond. 

Ik voelde me een moeder die haar kind geruststelt toen ik zei dat boekpresentaties – alsof ik er al honderden had meegemaakt in plaats van enkele – voor mij de leukste feestjes op aarde waren, omdat ze niet gaan om jou, maar om wat je hebt gemaakt. Je hoeft niets te doen, bleef ik maar zeggen, en na de derde keer ontspande ze, leek het, en ik deed er nog een schepje bovenop toen ik zei dat iedereen zenuwachtig kon zijn voor deze avond, de boekhandelaar die zijn pand in orde moest maken, de gasten die merendeels waarschijnlijk nog nooit bij de presentatie van een boek te gast waren geweest en dus geen idee hadden van wat ze te wachten stond, zelfs ik mocht zenuwachtig zijn omdat ik haar de juiste vragen moest stellen, maar niet zij: zij hoefde alleen maar te zitten en handtekeningen op eerste pagina’s te zetten en te lachen als iemand met haar op de foto wilde. Ze ademde uit.

En nu zit ik hier naast haar en weten we alle ogen op ons gericht terwijl ik haar vraag naar haar inspiratiebronnen, het zoeken naar omslagbeeld en titel, de schrijfschriftjes uit haar jeugd. Ze antwoordt precies wat ze me een paar dagen eerder al vertelde, vraagt steeds aan het publiek of ze goed verstaanbaar is, maar ze lacht, en ik geef het woord aan het publiek, en ze willen weten of ze altijd al auteur wilde worden, of ze veel aan anderen heeft laten lezen, of ze gouden tips voor beginnende schrijvers heeft.

Na de slotvraag krijg ik bloemen cadeau en sluit ik aan bij een van de statafels, waar ik in een glas een karaf water leegschenk tegen mijn droge keel. Ik knoop gesprekjes aan met trotse vrienden, collega’s en ooms, zie hoe alle aanwezigen stuk voor stuk aansluiten in de rij die naar haar signeertafel leidt. De volgende keer ga ik haar interviewen, dan heb ik haar tenminste al gesproken, grapt een man die bijna aan de beurt is.

Wanneer na een paar uur de laatste gasten hun jas van de geïmproviseerde kledingrekkapstok halen, vertrekken we in klein comité naar de dichtstbijzijnde kroeg. Terwijl we met zijn tienen rond een tafel achter in de zaak schuiven, de eersten alvast een blik werpen op de cocktailkaart, zegt een van haar vrienden: Zelfs je moeder was trots.

In gedachten ga ik terug naar de boekhandel, naar de vrouw die linksvoor op de eerste rij zat, een lichte glimlach op haar gezicht. En opeens weet ik het weer: dat er uiteindelijk altijd maar één iemand is voor wie je het doet, en dat dat ironisch genoeg vaak precies degene is die zich in diens trots het lastigst laat kennen.

Anne van den Dool

Anne van den Dool

Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationale Theater. Ook is ze curator bij het Literatuurmuseum. In 2014 debuteerde ze met de roman Achterland. In 2020 verscheen haar tweede roman, Vluchthaven. Ze publiceerde poëzie in onder andere Tirade, Poëziekrant en DW B.

Andere berichten

Sophie Jansen
december 2, 2021
Anne van den Dool
november 18, 2021
Sophie Jansen
november 16, 2021