De literaire wereld wordt langzaam wakker. In de boekhandels liggen weer stapels met nieuwe titels en frisse omslagen; er verschijnen weer lovende recensies; de verkoopcijfers stijgen. In de zomermaanden verkocht met name de lokale boekenwinkel zelfs meer dan normaal.

Dat was een paar maanden geleden anders. Toen halverwege maart de coronacrisis in alle hevigheid uitbrak, verschenen daarmee direct ook de eerste tekenen dat het boekenseizoen van 2019-2020 vroegtijdig afgeblazen zou worden. Ik kreeg een verzorgde mail van mijn redactrice: ‘op de uitgeverij’ was besloten alle romans die oorspronkelijk de komende maanden zouden worden uitgegeven en ‘die zichzelf niet automatisch zouden verkopen’ – lees: die niet van de hand van Tommy Wieringa, Arnon Grunberg of Geert Mak afkomstig zijn – door te schuiven naar het najaar.

Daarmee gingen we ook op zoek naar een nieuwe datum voor de verschijning van mijn tweede roman, Vluchthaven, die oorspronkelijk voor juni gepland stond. Een ander moment was snel gevonden: zo snel als we het weer aandurfden, eind augustus – om precies te zijn: de achttiende, want dat was de geboortedag van mijn Indische stiefgrootvader, over wie het boek verhaalt. Extra mooi zou het uitkomen dat het boek nu vlak na de nationale herdenking van de bevrijding van Nederlands-Indië verscheen.

Een geluk bij een ongeluk. En toch ging het er in iedere fase van het maken van deze roman zo anders aan toe dan bij mijn debuut. De koffieafspraken die ik zes jaar eerder in die finale fase op zo regelmatige basis met mijn redactrice had, waren veranderd in vluchtige appjes en mailtjes. Het eerste exemplaar, dat ik toen op de uitgeverij in mijn handen gedrukt kreeg, werd me nu enkele dagen voor de verschijning per post toegestuurd. De boekpresentatie, die normaal gesproken in een boekhandel plaatsvindt, en traditioneel wordt geflankeerd door wijn, jus en borrelnootjes, zou nu niet kunnen plaatsvinden: geen enkele van de boekenwinkels die ik belde, durfde het aan.

Ik begreep het. Ik begreep het heel goed. En toch: hoe coronaproof ik tot op dat moment ook mijn leven had geleid, zonder feestjes, zonder vakanties, zonder aanrakingen van vrienden en familie, deze viering moest er komen. Zes jaar lang had ik uitgekeken naar het moment dat ik mijn eerste presentatie kon herbeleven. Toen stapte ik op een zorgvuldig uitgekozen avond in de Boekenweek Van Stockum binnen en stond daar een schare geliefden en bekenden mij op te wachten, en iedereen keek zo trots naar het boek dat tientallen keren in de etalage opgestapeld lag. Een boekpresentatie is voor mij het allermooiste feestje dat ik me kan indenken, omdat het niet over mij gaat, maar over iets ik heb gemaakt, en daarmee de aandacht wegtrekt van mij als persoon en alle ogen richt op dat kleine wonder waarin de aanwezigen binnenkort zullen beginnen met lezen.

Ik besloot dit moment niet voorbij te willen laten gaan. Samen met mijn vriend, in niet-coronatijden begenadigd evenementorganisator, zocht ik contact met de hortus botanicus, maakte ik een gastenlijst, maakte ik plannen voor hapjes, drankjes, licht en geluid, verstuurde ik de zelfgemaakte digitale uitnodigingen. Het werd een magische, Indonesisch warme avond tussen de exotische planten van de botanische tuin, waar ik meermaals te horen kreeg dat dit een veel en veel passendere vorm was dan dit feestje ooit in een boekhandel had kunnen krijgen.

Normaal gesproken vormt een boekpresentatie de aftrap van een periode met lezingen, vraaggesprekken en signeersessies, in boekhandels, in bibliotheken en op festivals. Tenminste, normaal gesproken. Want festival na festival werd afgezegd of omgezet in een zeer uitgeklede online vorm. Boekhandels schrapten hun complete activiteitenprogramma, gebrekkig als zij in hun ruimte zaten.

Alleen bibliotheken bleven overeind. In de Bibliotheekwet staat namelijk vastgelegd dat deze boekeninstellingen meer functies vervullen dan alleen de uitleen waarom zij nog steeds voornamelijk bekend staan: in de bibliotheek stelt men kennis en informatie beschikbaar, wordt gewerkt aan leesbevordering, ontwikkeling en educatie, vinden ontmoetingen en debatten plaats, laat men bezoekers kennismaken met kunst en cultuur.

En dus bleven ook na de persconferentie van dinsdag 13 oktober, toen we te horen kregen dat Nederland nog een stukje verder op slot moest, de lezingen en interviews in bibliotheken staan. Met maximaal dertig personen, zonder pauze, op anderhalve meter afstand. En toch roept het vragen op: durven mensen wel te komen? Worden de maatregelen tussentijds niet verzwaard? Doe ik er wel goed aan mensen tot reisbewegingen aan te zetten? Wat als ook maar iemand ziek wordt door mijn toedoen?

De literaire wereld wordt langzaam wakker. En toch: ze mag zich niet uitrekken, uit bed springen en vol frisse moed beginnen aan een nieuwe dag. Ze moet zich klein houden, gedeisd. We zijn wakker, maar we zijn stil. Waar ik normaal gesproken hele avonden met mensen over boeken praat, vullen we die uren nu met virusverhalen, simpelweg omdat dat is wat ons op dit moment het meest bezighoudt. We treffen elkaar niet op verjaardagen, waar we zien hoe een genodigde de jarige een boek overhandigt, en zo een gesprek beginnen over het omslag, de flaptekst, de eerste zin. We mogen niet struinen door winkelstraten, toevallig de boekhandel passeren en een blik in de etalage wagen, naar binnen worden getrokken, overmand worden door leesliefde en een stapel verhalen afrekenen die ons de komende tijd weer kan voeden.

De literaire motor draait weer, maar zacht en brommend, bijna niet hard genoeg om hem te horen pruttelen te midden van het geraas aan virusinformatie dat dag in, dag uit onze oren vult. Ik kan niet anders dan uitkijken naar het moment waarop mensen elkaar weer vrijelijk mogen omarmen, mensen weer zorgeloos mogen samenkomen en er in de wereld voor het verhaal weer een plaats is.

Anne van den Dool

Anne van den Dool

Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationale Theater. Ook is ze curator bij het Literatuurmuseum. In 2014 debuteerde ze met de roman Achterland. In 2020 verscheen haar tweede roman, Vluchthaven. Ze publiceerde poëzie in onder andere Tirade, Poëziekrant en DW B.

Andere berichten

leidsCement
september 25, 2021
...
leidsCement
september 25, 2021
leidsCement
september 24, 2021