Dit artikel werd geschreven door Saskia Leupen en verscheen eerder op Erfgoed Leiden en Omstreken.

Ontwrichting van het dagelijks leven door een ongrijpbare, onzichtbare vijand zijn we niet meer gewend. Steeds meer maatregelen worden genomen om verspreiding van het coronavirus in te dammen. Maatregelen die doen denken aan de voorzorgsmaatregelen die men in Leiden nam ten tijde van de pest of bij andere ‘zorgelick en voorspruytende siecte’. Zoals isolatie bij constatering van de ziekte en boete bij overtreding van de regels. Maar ook het verplicht plaatsen van een strobundel bij de deur en het dragen van speciale kleding bij besmetting .

De pest teisterde Europa in de periode van 1348 tot ver in de 17de eeuw in steeds terugkerende golven. Leiden werd daarbij niet gespaard. Met tussenpozen van enkele decennia stak de ziekte de kop op, zoals in in 1399, 1411, 1420, tussen 1450 en 1458 en in de periode 1508 – 1550. Archieven van kerken, kloosters en gasthuizen getuigen hiervan. De grafboeken en begraafregisters van deze instellingen laten de sterftepieken zien aan de hand van het grote aantal graven dat gedolven werd.

Infectieziekte
Het is overigens niet altijd duidelijk of het ook daadwerkelijk om de pest ging of dat het een andere, niet exact te identificeren infectieziekte betrof. Zoals we anno 2020 weten, werd de pest veroorzaakt door een bacterie, yersinia pestis, en niet – zoals men toen meende –  door ziekteverwekkende kwade dampen en gecorrumpeerde lucht (‘miasma’). 


Aflezingboek A, 16de eeuw. Collectie Erfgoed Leiden en Omstreken, SAI inv. 387

Noodmaatregelen om verspreiding pest tegen te gaan
De maatregelen die men in Leiden en andere steden trof om de verspreiding van de pest, welke zeer zorgelick ende een voorspruytende siecte is, tegen te gaan, vertonen opvallende gelijkenis met de maatregelen die we nu treffen om de besmetting van het coronavirus in te dammen. Deze pestordonnanties werden in het openbaar voorgelezen en genoteerd in de zogenoemde Aflezingboeken. De noodmaatregelen traden in werking voor de duur van de periode dat de pest heerste en zo lang als het stadsbestuur dat nodig vond. We vinden ze in vrijwel gelijke bewoordingen steeds terug, soms met praktische aanvullingen, in de jaren waarin de pest woedde in Leiden. In 1603 werden de 18 artikelen van de pestordonnantie voor het eerst in druk uitgegeven.


Pestordonnantie uit het jaar 1508 in het Aflezingboek A fol. 18 recto. Collectie Erfgoed Leiden en Omstreken SAI inv. 387

Strobundel
De voorschriften bestreken verschillende terreinen en raakten zowel het economische leven van de stad als het persoonlijk leven van haar inwoners. Eerste doel was preventie, voorkomen dat er meer mensen besmet raakten en dat de pest vanuit andere steden de stad zou bereiken. Daarnaast lag de prioriteit op isolatie en het duidelijk markeren van de bestaande gevallen. Bij huizen waar de pest was geconstateerd, moest een zogenaamde strohoed (strobundel) van een arm dik en een el in het rond voor de deur worden gehangen. Na genezing of overlijden moest deze voor de zekerheid nog zes weken daar blijven.

Zoe hebben tgerecht geordon[n]eert dat ter plaetse dair die selver siecte is […] en[de] oik dair die selve siecte comt men uuythange[n] sel voir and[en] huyse een stroen hoed ende d soe wair dat enighe gestorven sijn van den pestilentie of vanden pestilentien opgestaen, dair sel noch bliven hanghen voir die selve doire een stroen hoet [bundel stro] den tijt van vi [6] weken welcken soude groot wes[en] sel int rond een ellen en[de] een arm dicke.

Pestlijders moesten verplicht zes weken in hun eigen huis blijven en waren dus aangewezen op familie en vrienden voor voedsel. Dat betekende een enorme tegenslag voor geïnfecteerde ambachtslieden. In die tijd mochten zijn niets produceren of verkopen. 

Witte roede
Daarnaast golden er ook strenge voorschriften waaraan huisgenoten, familie en mensen die patienten verzorgden zich te houden hadden. 

Voirt soe sel een yegelick die vand[en] pestilencie upgestaen sy […] en[de] een yegelick die woenachtig is binnen der huyse dair die pestilentie is// of die de siecken van den pestilencie bewaren// gaen mit een witte roede lang wesen[de] een ellen en[de] die openbaerlicke draegen dat een yegelick die sien mach ende die selve roede draeghen t[er] tijt van vj [zes] weken nae dat sij vand[en] pestilentie up gestaen zijn of dat die pestilencie uut d[en] huyse geweest is.. in zij woenachtig sijn of dat zij een siecke vanden pestilentie bewairt hebben.

Zowel ex-patienten als de verzorgers en huisgenoten moesten zes weken lang een witte roede (stok) zichtbaar met zich mee dragen. Zo waren zij in het openbare leven duidelijk herkenbaar en in hun bewegingsvrijheid ingeperkt met het oog op de publieke gezondheid. Het duidelijk zichtbaar dragen van de roede  sonder [hem] in de mouwen of onder die hoicken [huik, een wollen mantel] noch onder die tabbaerd [te verstoppen] werd op straffe van correxie van der stede verplicht gesteld. Bovendien mochten zij binnen deze termijn niet in de drie parochiekerken of in de kapel van de witte nonnen op het Rapenburg komen, behalve tijdens een begrafenisplechtigheid. 


Burgemeester Van der Werff biedt zijn lichaam aan het hongerende volk aan in 1574. Op de achtergrond zijn taferelen zichtbaar van de pest op het Pieterskerkhof. De geknielde vrouw links op de voorgrond draagt een huik (wollen mantel). Tekening in kleur uit de 18de eeuw naar een schilderij van J. van Schooten uit 1643. Collectie Erfgoed Leiden en Omstreken.

Beddengoed
Er waren ook hygiënische voorschriften betreffende de kleding, het beddengoed en de verzorging van de pestslachtoffers. Niets werd aan het toeval overgelaten: Rouwkleden, afkomstig van een doodskist van een patient, kwamen de kerk niet meer in, maar moesten vervangen worden door een ander exemplaar. In 1509 werden de regels, die door verzorgers in acht genomen moesten worden, nog iets nader omschreven.

Nyemant (…) tsy berbier, laetster, bewaerster of yemant anders en sel ghieten of en werpen in enich van de wateren of upter straet enich bloet of pleysteren of eniche andere ongetidicheyt gecomen van pestilencie luyden ende andere siecken of gebrecklicke luyden.

Overtredingen en correcties
Dat niet iedereen zich aan deze strenge voorschriften hield, is op te maken uit meerdere zaken die zijn beschreven in de zogenoemde Correctieboeken. Deze bevatten in het openbaar afgelezen vonnissen. Samen met de Keurboeken (met daarin de stedelijke keuren of wetten) en de Aflezingboeken, geven zij een schat aan informatie over het reilen en zeilen van een laatmiddeleeuwse stedelijke samenleving. Op het overtreden van de stedelijke keuren en de afgelezen noodverordeningen stonden strenge straffen. Anders dan tegenwoordig in onze seculiere maatschappij, bevatten de straffen naast individuele sanctie als geldboetes vaak ook een religieus, maatschappelijk element. Kerk en staat waren nog niet strak van elkaar gescheiden.

Boete, berouw en straf
Wanneer iemand de verordeningen had overtreden, moest deze publiekelijk spijt betuigen. Daarnaast werd naar gelang de zwaarte van de overtreding een boete opgelegd. De hoogte van de boete werd vaak uitgedrukt in een hoeveelheid bijenwas ten behoeve van kaarsen voor een van de altaren van de drie parochiekerken.

Een andere veel voorkomende straf aan het einde van de 14de en in de 15de eeuw was de verplichte bedevaart. Afhankelijk van de zwaarte van de misdaad werd de veroordeelde naar een bedevaartsoord dichtbij of verder weg gestuurd. Dat kon varieren van Sint Jeroen in Noordwijk tot aan Het Heilige Graf in Jeruzalem. Tijdens een verplichte pelgrimage kon de overtreder bidden voor het zieleheil van slachtoffers, zichzelf en de gehele stedelijke gemeenschap. Bijkomend voordeel was dat de overtreder zo meteen een tijdje de stad uit was. Alleen op vertoon van een goet betoich, een bewijs dat de bestemming daadwerkelijk bereikt was, mocht de boeteling weer terugkomen. Van deze briefjes, afgegeven door de kerkelijke overheid in de betreffende bedevaartsoorden, zijn nog enkele bewaard in de collectie van Erfgoed Leiden en Omstreken. 

Publieke boetedoening
In de zomer van 1467 kondigde het stadsbestuur de pestordonnantie af. In het Correctieboek lezen we over de radeloze vader Jan Andriesz, die toch aan het werk was gegaan, terwijl hij niet te wercke comen en mochte aangezien zijn kinderen recentelijk waren overleden aan de pest. Toen hij daar door de gerechtsdienaars, de waerders, op werd aangesproken, sprak hij zeer quade ende lelike woirden, iets wat in die tijd zwaar werd opgenomen. De geschrokken vader vluchtte halsoverkop de stad uit, maar verzocht niet veel later naar huis terug te mogen keren. In het Correctieboek lezen we dat hij op 3 februari 1468 alsnog voor het gerecht veroordeeld werd. Blootshoofds en ongegord (met los hemd) verscheen hij voor het stadhuis. Omdat hij berouw toonde en het gerecht om gratie vroeg, bestond zijn straf voor een belangrijk deel uit publieke boetedoening en werd hij vervolgens op bedevaart naar Keulen gestuurd.


De zaak Jan Andriesz beschreven in Correctieboek 4B (periode mei 1448-maart 1477), fol. 192 recto. Collectie Erfgoed Leiden en Omstreken, Oud Recherlijk Archief

[…] En[de] is gecomen voir den gerechte bekennende zijne misdaet biddende oetmoedelic hem in gracien te nemen en gracie te doen, en[de] want dustanige misdaet ongecorigiert niet en behoirt te blive[n], soe sel Jan Andries z[oon] voirs[chreven] ter stont comen voirder[…] stede huys bloets hoofts en[de] ongegort en[de] met luyder stem[m]e den gerechte bidden in den name vander stede en[de] wairdeyns dat soe wes hij tiegen der stede an misdaen heeft dat se hem dat vergeven willen om goidswillen. Ende dair toe sel Jan Andries z[oon] voirs[chreven] een bedevairt doen ten Heyligen drie coningen tot Coelen [Keulen] ende sel uutgaen op zijn bedevairt huyden binnen sdages sonneschijn en[de] morgen […] op die verbuernisse van zijn recht[er] hant en[de] sel der stede vande voirs[chreven] bedevairt een goet betoich senden eer dat hij weder inde stede van Leyden comen sel […].

Pelgrimsinsigne
Jan mocht zich pas dán weer in Leiden vertonen, nadat hij door middel van een goet betoich kon aantonen dat hij daadwerkelijk in Keulen was geweest. Zou hij daarnaast net als zovele pelgrims ook een souvenirtje in de vorm van een loden pelgrimsinsigne mee naar huis hebben genomen?  Recentelijk is er bij de opgraving aan de Garenmarkt een dergelijk pelgrimsinsigne uit Keulen te voorschijn gekomen met daarop duidelijk het wapen van Keulen, de drie koningen en onderaan de beschermheilige van de stad Keulen, Sint Ursula met enkele van haar maagden. Nu maar hopen dat Jan veilig en gezond weer is teruggekeerd in Leiden. 


Pelgrimsinsigne afkomstig uit Keulen. In 2019 gevonden tijdens de opgravingen aan de Garenmarkt. Voor meer infomatie over dit insigne zie www.erfgoedleiden.nl/nieuws/1103-archeologische-vondsten-garenmarkt

leidsCement

leidsCement

leidsCement is een nieuw online makersplatform voor nieuws, projecten en events voor de Leidse culturele sector.

Andere berichten

Anne van den Dool
oktober 31, 2022
Anne van den Dool
september 19, 2022
Anne van den Dool
augustus 10, 2022