‘Wanneer schrijf je een gedicht over me?’ vraagt ze.

Ik ken haar sinds de kleuterklas, toen haar sneeuwblauwe ogen al oplichtten op klassenfoto’s. Ik was altijd jaloers op de zorgvuldigheid waarmee haar moeder iedere ochtend een vlecht in haar haren reeg. Mijn kapsel was kort en recht, praktisch voor een kind dat graag in de eenzame boom op het grasveld voor ons huis klom, de gevonden lieveheersbeestjes bewaarde in een oude sorbetijsverpakking op haar kamer.

Ze vraagt dit al een paar jaar. Sinds ik afwisselend in haar studentenkamer en de mijne met een kop thee in mijn handen en mijn voeten onder me gevouwen vanaf mijn telefoonscherm zenuwachtig mijn nieuwe probeersels aan haar voorlas, hoopt ze zelf ooit de hoofdrol te spelen in een van mijn verzinsels. Ik probeer te begrijpen waarom: is ze benieuwd naar de mens die ik van haar maak, naar de eigenschappen die ik haar toedicht, naar de dingen die tussen ons al meer dan twintig jaar vanzelfsprekend zijn, maar die we nooit zeggen?

Steeds vertel ik haar dat ik niet over haar kan schrijven, omdat dat dat betekent dat in haar een spanning moet zitten, een contradictie, een conflict. En zij en haar sneeuwblauwe ogen kennen geen conflicten – althans, niet voor mij.

Soms probeer ik het. Dan pak ik een wit vel papier en probeer ik te denken aan de ene keer dat we klein waren en ruziemaakten, één zeldzame augustusmiddag waarop we dralend door de hete straten rond haar huis liepen, schoppend tegen een zachte voetbal. Ik wilde me vermaken in de dorpsspeeltuin en zij was bang voor de wespen en bijen die daar huisden, en dus liep ik demonstratief een bosje in waar de insecten zoemend van bloem naar bloem gingen. Verwoed stuiterde ze met de bal tegen een muurtje, raakte per ongeluk mijn achterhoofd. Eindelijk hadden we een heldere reden om boos te zijn en sorry te zeggen.

Het is de enige botsing die ik me herinner. Verder vullen onze gesprekken zich met complimenten, begrip en herinneringen aan alles wat zich tussen ons vierde en ons achtentwintigste jaar heeft uitgestrekt. Daarover kan ik geen gedicht schrijven, tenzij ik de werkelijkheid vervorm.

Dat doe ik soms. Het maakt me tot gevaarlijk gezelschap, stel ik me zo voor – en toch lijkt tot op de dag van vandaag niemand terug te deinzen voor de gedachte dat ik de inhoud van intieme gesprekken na het uiteengaan van mij en de ander direct driftig begin over te pennen in mijn aantekeningenschrift. Andersom heeft nog geen vriend of familielid zich ooit bozig uitgesproken over de persoon die ik van hem of haar in fictie heb gemaakt.

Er zit een beschermlaag over die verzinsels. Bij mijn weten heeft geen enkele aanklagende naaste ooit een rechtszaak gewonnen die werd aangespannen wegens onrechtvaardige representatie in literatuur. Dat er roman of gedichten op het omslag staat, betekent dat het verzonnen is. Punt uit.

Toch is het niet zo simpel. Als schrijver voel ik de verantwoordelijkheid zorg te dragen voor de ideeën die door dat wat ik schrijf kunnen ontstaan. Dat mijn vader bij de lokale glasbak werd ondervraagd nadat ik als basisschoolleerling een wedstrijd won met een gedicht over gescheiden ouders, komt door mij. Dat mijn moeder zelden meer bloemen krijgt omdat ik in mijn debuutroman schreef over een vrouw die ontvangen boeketten na vertrek van het bezoek standaard in de groene bak mietert, is mijn schuld.

En toch is het een offer dat ik de mensen in mijn omgeving telkens weer laat brengen. Ik schrijf mijn verhalen over hen in stilte, treed pas met ze naar buiten als ik weet dat ze gedrukt zullen worden in een boek, krant of tijdschrift. Dan vraag ik ze om toestemming, maar eigenlijk informeer ik ze, en dat weten zij net zo goed als ik.

Tegenover hen die vragen om een gedicht staan zij die vragen om weggelaten te worden. Ze hebben geen trek in de zoektocht naar de scheidslijn tussen feit en fictie, willen niet geconfronteerd worden met andermans vragen. Hen begrijp ik, als ik heel eerlijk ben, veel beter. Zij die vragen om een gedicht, vragen in feite om een ode. En odes komen in mijn schrijversgedachten zelden voor.

Behalve dan misschien bij haar, sneeuwblauwe ogen, kindervlecht. Een ode aan de mens die ik haar op papier niet kan laten zijn, omdat ik haar dan tekortdoe met haar geduldige luisteren en haar eeuwige lach.

Morgen probeer ik het opnieuw.

Anne van den Dool

Anne van den Dool

Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationale Theater. Ook is ze curator bij het Literatuurmuseum. In 2014 debuteerde ze met de roman Achterland. In 2020 verscheen haar tweede roman, Vluchthaven. Ze publiceerde poëzie in onder andere Tirade, Poëziekrant en DW B.

Andere berichten

leidsCement
februari 27, 2021
Sophie Jansen
februari 24, 2021