Lang voordat mijn eerste boek uitkwam, leek me dit al een van de gekste dingen: dat mensen die ik niet ken een roman van mij op hun nachtkastje zouden hebben liggen. De gedachte dat iemand die geen vriend of familie van mij is door de boekhandel zou lopen, een boek van mij zou zien liggen, het zou oppakken, de tekst op de achterkant zou lezen, mijn auteursfoto zou bekijken en zou denken: deze neem ik mee. Dat iemand dat boek niet zou lezen uit amicaliteit ofplichtsbesef, maar uit oprechte interesse in het verhaal dat ik had neergepend.


En toch moet het zo zijn. Want op internet lees ik recensies van mijn boeken geschreven door mensen met namen die mij onbekend voorkomen. Soms vermoed ik een complot,verwacht ik dat achter die schuilnaam misschien toch een bekende verscholen zit. Blijkt het hele boekengebeuren één grote Truman Show, waarin de hele wereld is geïnstrueerd mij te doen geloven dat er een boek van de persen is gerold dat daadwerkelijk wordt gekocht, geleend, gelezen.


Misschien gaat die gedachte terug naar mijn kindertijd, toen mijn ouders driftig meehielpen mijn gedichten in boekvorm te gieten. Ik leverde een stapel teksten aan, we overwogen verschillende lettertypes en WordArt-plaatjes voor op de voorkant, en dan begon het puzzelen: hoe konden we ze op zo’n manier printen dat de A4’tjes konden worden dubbelgevouwen en geniet tot één bundel? Mijn vader pakte er een papiertje bij en maakte rijtjes en formules die ik nauwelijks begreep. Soms waren er enkele misdrukken voordat de rijtjes woorden ieder netjes aan hun eigen kant op de pagina stonden. Eén keer besloot mijn moeder goudkleurig kartondik papier bij de lokale kantoorboekhandel te halen en voelde het boekje echter dan echt.


Die boekjes werden vooral verspreid onder familie. De hoogtes van de oplagen werden me niet meegedeeld, maar ze zullen niet boven de tien stuks per keer uitgekomen zijn. Soms zie ik zo’n boekje nog slingeren bij een tante of oma, gestoken tussen de stapels puzzelboekjes en televisiegidsen. Een herinnering aan hoe het ooit begon.


De gedachte dat de verspreiding van mijn geschreven woorden verder gaat dan die kleine kring, vervult me nog steeds met verbazing. Ik herinner me de eerste keer dat ik merkte dat dat kon: ik las vlak na het verschijnen van mijn eerste roman een kort maar krachtig bericht van een mij onbekende man op Twitter, waaruit bleek dat hij mijn boek had gelezen, en ik begreep het niet. Want waarom zou je dat boek oppakken, anders dan om mij een plezier te doen, of omdat je het door mijn ouders in mijn handen gedrukt had gekregen?


Toch schijnt het te kunnen. Dat boek, dat nachtkastje. Het zou zelfs kunnen dat er mensen in deze wereld rondlopen die zich een beeld hebben gevormd van wie ik ben op basis van wat ze van mij hebben gelezen, zonder ooit een woord met me te hebben gesproken. Laatst trof ik iemand die mijn naam kende van mijn recensies voor NRC. Het was bijna alsof ik op straat werd herkend.


Ik realiseer me maar al te goed dat ik ook op het gebied van bekendheid geen Jan Wolkers, Connie Palmen of Arnon Grunberg ben. Ik kan mijn naam eindeloos vaak noemen zonder ooit een herkennende aha van mijn gesprekspartner te ontvangen. En hoe vreemd dat anderen ook in de oren moge klinken: dat bevalt me prima. Ja, als schrijver wil ik worden gelezen, maar als mens hoef ik niet te hoeven worden gekend. Dat boek op dat nachtkastje is voor mij genoeg.


📷 Unsplash: Toa Heftiba

Anne van den Dool

Anne van den Dool

Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationale Theater. Ook is ze curator bij het Literatuurmuseum. In 2014 debuteerde ze met de roman Achterland. In 2020 verscheen haar tweede roman, Vluchthaven. Ze publiceerde poëzie in onder andere Tirade, Poëziekrant en DW B.

Andere berichten

leidsCement
april 28, 2022
Sophie Jansen
april 26, 2022