Wanneer ik de bibliotheek binnenkom, staan de stoelen al in een halve cirkel opgesteld rond het podium. Een medewerkster loopt met uitgestoken hand op me af, stelt zich voor met de naam die ik onder aan de e-mails trof. Ze wijst naar het tafeltje met enkele flessen wijn en schaaltjes met nootjes en chips. Een boekenborrel, gratis voor leden van de bibliotheek.

Op het podium staan twee stoelen en een salontafeltje met de gebruikelijke karaf en twee glazen water, ernaast een aantal rechtop gezette boeken. In een herken ik mijn roman, de andere hebben het uiterlijk van reisgidsen. 

Terwijl de bezoekers langzaam binnenstromen, stelt ze mij fluisterend de eerste vragen. Ik wil tegen haar zeggen dat we nu zo min mogelijk met elkaar moeten praten, omdat we anders straks op het podium midden in een gesprek starten in plaats van aan het begin, maar ze lijkt zo nieuwsgierig, en dat wil ik haar niet afnemen.

Om stipt acht uur gaan de deuren dicht en neemt iedereen plaats. De stemmen verstommen als vanzelf terwijl de bibliotheekmedewerker haar keel schraapt. Dat het bijzonder is dat we hier, na een aantal uitgestelde coronakeren, alsnog bij elkaar kunnen zijn. Dat ze mijn boek met veel plezier gelezen heeft, en dat ze me er graag een aantal vragen over wil stellen, maar dat reactie vanuit het publiek ook welkom is.

Het is een tijdje geleden sinds ik over dit boek praatte. Op dit moment zit ik met mijn gedachten vooral bij het nieuwe boek waarmee ik bezig ben. Op weg hiernaartoe had ik bijna het gevoel dat ik het omslag nog even had moeten nalezen, zo ver weg voelde het. Maar wanneer ze me vraagt kort te vertellen waarover mijn roman gaat, komen de woorden als vanzelf. Alsof ik na een tijdlang niet fietsen eindelijk weer op een zadel zit, en mijn voeten hun weg naar de trappers vinden.

Wanneer ik klaar ben met mijn samenvatting, kijk ik het publiek rond. Een gezelschap zoals ik het gewend ben: het merendeel vrouwen van boven de vijftig, her en der een uitschieter naar beneden. Naast mij hoor ik de bibliotheekmedewerker vragen of mijn roman autobiografisch is. Die vraag had ik verwacht: hij stond op het lijstje dat ik haar van tevoren had toegestuurd, onzeker als ze was geweest over haar interviewkwaliteiten.

Ik leg het uit: dat tijdens het schrijfproces voor mij het onderscheid tussen fictie en waarheid verdwijnt, dat ik dan simpelweg bezig ben een zo goed mogelijk verhaal te componeren. Dat daarvoor de werkelijkheid zich soms heel goed leent, maar dat ik er vaak genoeg bijna onbewust voor kies de feiten te verdraaien. Dat dat heel soms als liegen kan voelen, maar dat ik mezelf er daarna van overtuig dat dat niet nodig is: als schrijver heb ik tenslotte alle vrijheid om te doen en laten wat ik wil. Dat ik soms zelfs vergeet hoeveel ik wel niet aan een boek heb verzonnen, en ik voor het gemak tegen mensen zeg dat het vrijwel helemaal waargebeurd is, maar dat ik er tijdens het gesprek vervolgens meer en meer achter kom dat ik wel degelijk belangrijke feiten heb verdraaid. Veranderd, verbeter ik mezelf, aangepast.

Mijn gesprekspartner knikt. Een eerste vraag uit het publiek. Of ik me dus echt zo rot heb gevoeld in Indonesië als het hoofdpersonage van mijn roman, vraagt de wat oudere dame. Zelf had ze juist enorm genoten van de reizen naar Bali, inmiddels alweer een jaar of twintig geleden. Ik wil haar niet terechtwijzen hoe enorm het eiland sindsdien veranderd is, probeer haar uit te leggen dat het mij tijdens die reis ondanks herhaaldelijk proberen juist niet lukte om de schoonheid van het land te zien, en hoezeer ik mezelf daarom vervloekte.

Meer gemompel uit het publiek. ‘Het is toch juist een prachtig land,’ hoor ik een man verderop mompelen. ‘Heet dat niet gewoon heimwee,’ vraagt een vrouw vooraan met verheven stem.

‘Zo heb ik het zelf nooit genoemd,’ slik ik, ‘maar achteraf denk ik wel dat dat het geweest moet zijn. Ik herinner me vriendinnetjes die tijdens groepachtkamp elke dag met hun ouders moesten bellen omdat ze het anders niet volhielden – dat heb ik nooit gehad. Maar…’

‘En je ging dus op reis om je stiefopa beter te begrijpen,’ constateert een andere vrouw. ‘Welke plekken heb je daar dan bezocht?’.

Met elke vraag die wordt gesteld, voelt het meer en meer alsof ik rekenschap moet geven van wat in de werkelijkheid is gebeurd. We drijven weg van de roman, zo in de fuik van de autobiografie. Deze mensen willen het helemaal niet over boeken hebben, realiseer ik me met elke minuut die verstrijkt, mijn ogen stiekem glijdend langs de kasten vol papier die ons omringen. Deze mensen willen het hebben over wat echt is.

Ik kan het ze nauwelijks kwalijk nemen. Wanneer je een willekeurig televisieprogramma kijkt met boeken als inzet, gaan de vragen van de presentator zelden over de roman of poëziebundel in kwestie, maar veel eerder over de auteur die erachter zit. En niet over diens inspiratiebronnen of schrijfrituelen, maar over de relatie tussen het genoteerde en het beleefde. Daarin lijken we met z’n allen toch een stuk meer geïnteresseerd dan in het boek an sich – hoe boekenwurmig we onszelf ook voordoen.

Laatst interviewde ik een medeauteur die aangaf om die reden niet graag te willen meewerken aan dat soort gesprekken. In plaats daarvan hield ze zich liever afzijdig, liet ze haar werk voor zich spreken. Hoe minder je loslaat over de autobiografische waarde van een roman, hoe groter de kans dat je het over het boek zelf kunt hebben, was haar idee.

Terwijl ik vraag na vraag probeer te pareren, denk ik meer en meer: ik geef haar gelijk. Ik trek me terug totdat iemand me weer een boekenvraag stelt. Maar nu zit ik hier al, en kan ik niet meer terug.

Ruim anderhalf uur later sluiten we het vraaggesprek af. Een van de dames op de voorste rij bedankt me voor mijn openheid. Je moest eens weten, denk ik. Ik zou willen dat ik niet zo’n open boek hoefde te zijn.

Anne van den Dool

Anne van den Dool

Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationale Theater. Ook is ze curator bij het Literatuurmuseum. In 2014 debuteerde ze met de roman Achterland. In 2020 verscheen haar tweede roman, Vluchthaven. Ze publiceerde poëzie in onder andere Tirade, Poëziekrant en DW B.

Andere berichten

Anne van den Dool
oktober 31, 2022
Anne van den Dool
september 19, 2022
Anne van den Dool
augustus 10, 2022