Sommige momenten herinner je je een leven lang. Voor mij is dit er zo eentje: mijn veertienjarige zelf wiebelt heen en weer op de hoge poten van mijn kruk, zittend achter mijn tafel in het natuurkundelokaal. IJverig als ik bij elk vak ben, zit ik vooraan, ongeacht of het over een onderwerp gaat dat mijn hart in het rond doet springen – verhalen over hoofse literatuur bij Nederlands, werkwoordvervoegingen bij Frans, een fin de siècle-schilderij maken bij beeldende vorming – of een les waarbij mijn hersens tot het uiterste worden gekraakt met formules en andersoortige informatie waarvan ik op een later moment het nut hoop in te zien – het periodiek systeem bij scheikunde, soscastoa bij wiskunde, voortplantingsmechanismen bij biologie. Ik heb nog niet de leeftijd bereikt waarop ik die verschillende vormen van interesse meer dan instinctief van elkaar weet te onderscheiden: ik doe mijn best omdat ik mijn best wil doen.

Ik zit in de derde, en dus staat die fameuze profielkeuze voor de deur. Een keuze die op dat moment betrekkelijk willekeurig voelt: wat weet ik tenslotte op dit moment in mijn leven over wie ik ben en wat ik leuk vind, en weet ik dat alles goed genoeg om dit ijkpunt allesbepalend te laten zijn voor de manier waarop ik de rest van mijn bestaan mijn tijd zal indelen? Niet te zwaar maken, zal mijn decaan zeggen, maar wat mij betreft is het gevoel over deze keuze nooit zwaar genoeg: te veel geruststelling zou mij een laksheid kunnen bezorgen die mijn keuzespieren laat verslappen, en voor ik het weet zit ik op een kantoor met mensen die ik haat achter een computer die ik haat in een gebouw dat ik –

‘Anne,’ fluistert het meisje dat recht achter me zit. ‘Weet jij al wat je gaat kiezen?’

En ik antwoord. Ik antwoord instinctief, maar de woorden voelen goed, alsof ze voor mij gekozen zijn door iemand die mij heel goed kent.

‘Ik denk C&M,’ zeg ik zachtjes terug.

De reactie die volgt, zal mijn prettige gevoel direct doen kapseizen.

‘Echt?’ vraagt ze verbaasd. ‘Maar jij bent toch best wel slim?’

Het zal voor velen een herkenbaar proces zijn: de stilzwijgende hiërarchie die zich, naarmate het profielkeuzeproces vordert, steeds meer naar de oppervlakte werkt. Wie op mijn middelbare school voor cultuur & maatschappij koos, koos automatisch tegen het moeilijkste wiskundeniveau. Wie voor een alfaprofiel ging, sloot daarmee een scala aan bètavakken uit. Je moest voor één van de twee kiezen. Zo simpel was het.

Met de ongelovige woorden van mijn klasgenoot ging een gedachtestroom gepaard die de rest van mijn middelbareschoolcarrière zou bepalen. Wie slim genoeg was, koos natuur & techniek, dus dat was wat ik deed – ondanks mijn rouw dat ik daardoor geen filosofie kon volgen, ondanks het verdriet dat ik een deel van de talen moest laten vallen, ondanks mijn gebaal dat ik nu geen eindexamen kon doen in kunst. Ik nam dat gemis voor lief omdat ik een nieuwe stip op de horizon had gezet: de bachelor Industrieel Ontwerpen aan de TU Delft. En daarvoor was dit zware profiel nu eenmaal de toegangseis.

Toen precies in het jaar dat ik voor IO wilde kiezen voor het eerst een numerus fixus voor deze studie werd ingesteld, moest ik voor de zekerheid op zoek naar een plan B. Ik bezocht een open dag van de studie literatuurwetenschap in Leiden, werd verliefd, deed mee aan een meeloopdag, werd nog verliefder. De twijfels sloegen toe.

En ook toen voltrok zich zo’n bepalend moment. Een gesprek waarin de vader van een vriendin ter reactie op mijn dilemma zei: ‘Dat is toch geen moeilijke keuze? Geld verdienen of geen geld verdienen. Hup, naar de TU.’

Maar nu maakte ik een tegenovergestelde keuze. Nu maakte zich een recalcitrantie van mij meester, die zei: als ik iets studeer wat ik echt leuk vind, komt daar misschien ook een baan uit voort waarvan ik geniet.

Aan deze twee momenten dacht ik terug toen ik enkele weken geleden met een kennis door het park liep. We stonden stil om haar hond zijn behoefte te laten doen toen ze zei: ‘Na mijn bachelor literatuurwetenschap heb ik een master internationale betrekkingen gedaan. Ik zag ook wel in dat in mijn vakgebied geen droog brood te verdienen was.’

Ik heb toen innerlijk gegniffeld. Want sinds ik drie jaar geleden ben afgestudeerd, sta ik elke ochtend op met het gevoel dat ik niet aan het werk hoef, maar dat ik mijn dag mag vullen met dat wat ik het liefst doe: schrijven over boeken, theaterstukken, museumtentoonstellingen en al die andere culturele uitingen waarmee zogenaamd geen droog brood te verdienen valt. Het is een positie waarmee ik me elke dag gelukkig prijs, en die nog elke dag als een gemakkelijk doorprikbare zeepbel voelt. Maar de bel blijft rondzweven en veelkleurig glimmen, en zolang dat zo blijft, zeg ik: soscastoa, fuck you

Anne van den Dool

Anne van den Dool

Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationale Theater. Ook is ze curator bij het Literatuurmuseum. In 2014 debuteerde ze met de roman Achterland. In 2020 verscheen haar tweede roman, Vluchthaven. Ze publiceerde poëzie in onder andere Tirade, Poëziekrant en DW B.

Andere berichten

Sophie Jansen
augustus 3, 2021
Roos Tulen
augustus 2, 2021
leidsCement
juli 30, 2021