Het einde van het jaar nadert, en dus is het tijd voor 2020-lijstjes, terugblikken, de balans opmaken. Twintig-twintig laat zich nu eenmaal lastig in het stramien van voorgaande jaren duwen, en dus moeten we het met alternatieve verkiezingen doen: wie was de grootste coronaheld, welke golf heeft ons het fermst bij de kladden gegrepen, welke concerns hebben de grootste baat gehad bij de crisis (genomineerden: de lokale kerstpakkettenbezorgers, de tuincentra, de zeepindustrie).

Hoewel ik een jaar in principe een mooie tijdsoverspanning vind, die zich goed leent om samen met de rest van Nederland terug te kijken op de voorgaande 365 dagen, probeer ik me ook altijd voor te houden dat een kalender door ons mensen verzonnen is, en niet vastgelegd ligt in de tijd: van de lengte van een seconde tot de sjoemeloplossing van het schrikkeljaar, allemaal hebben we die mechanismen eens gebaseerd op een rondje van de aarde om de zon. Het aftelmoment op 31 december tegen twaalven is niets meer dan een bijzonder secure afspraak waaraan we ons gezamenlijk met alle liefde houden. (Met deze mededeling heb ik al menig oudjaarsfeestje verpest, dus ik houd ‘m voortaan liever voor mezelf.)

Voor mij was 2020, naast het jaar van de coronacrisis, ook – ik houd mezelf voor: vooral – het jaar waarin mijn tweede boek verscheen. Een moment dat inmiddels vloeibaar in de tijd leek, zo vaak had ik na de verschijning van mijn eerste roman in 2014 gedacht dat het dit jaar misschien zou gebeuren, een ingeving, een goed gesprek met de uitgeverij, een bestendiging van de two-book deal die ik inmiddels zes jaar geleden getekend had. Waar men mij toen de vraag stelde Hoe wist je dat je schrijver wilde worden? en ik dacht: aha, een schrijver ben je dus al na één roman, heb ik mezelf de afgelopen jaren vooral de vraag gesteld: hoelang duurt het voordat je geen schrijver meer bent?

En toch: sommige vrienden lieten zich ontvallen dat ik in hun ogen altijd schrijver was gebleven. Sterker nog: de banen die ik in die zes jaar tijd had gehad, de tijdschriftstukken die ik schreef, de essays die ik publiceerde, al die zaken waren voor hen stiekem niet meer dan bijzaken, afleidingen, losse papiersnippers. Allemaal moesten ze wijken voor dat ene hogere doel dat men het schrijven van een boek blijkbaar vindt: een bezigheid die zo hoog in de hiërarchie des levens staat als de zolderkamer waarin zij verondersteld wordt plaats te vinden.

En toch krijg ik sinds de verschijning van mijn tweede boek, eind augustus van dit jaar, vooral vragen over de aardse kant van het geheel. De favoriete openingszin van een gesprek is sindsdien met stip op één: ‘Zo, en hoe gaat het met de boekverkoop?’

Een ongetwijfeld lief bedoelde openingszin, algemeen gehouden bij gebrek aan een persoonlijke invalshoek – het literaire equivalent van ‘Hoe gaat het op je werk?’, misschien. Een vraag die ik altijd moet beantwoorden met de anti-climaxfrase dat ik het niet zou weten en dat ik zelf ook ontzettend benieuwd ben. Ik heb namelijk geen idee hoe rap mijn roman over de toonbank gaat: jaarlijks krijg ik ergens in mei een overzicht van het aantal papieren en digitale boeken dat is verkocht – kleine, priegelige, gekopieerde lettertjes, scheef opgeteld, die ik zo min mogelijk invloed probeer te laten hebben op de stemming van mijn dag.

‘Weet je wel hoeveel er gedrukt zijn?’ probeert een tegenstribbelende gesprekspartner soms nog, maar nee, ook dat antwoord moet ik diegene schuldig blijven. Verbazing is zonder uitzondering mijn deel: wat vreemd dat jij daar als auteur niet bij betrokken wordt, zou je niet graag op de hoogte willen worden gesteld, ben je dan zelf niet ontzettend nieuwsgierig? Sinds het bestaan van het coronadashboard lijkt iedere Nederlander het bestaan van up-to-date statistieken als een vanzelfsprekendheid te zien.

Men houdt zich graag vast aan cijfers: de verkoopgetallen van een boek, de duur van een zonnejaar, de lengte van een seconde. Maar als het schrijven van fictie voor mij ergens niet mee verbonden is, dan is het met getallen. Mijn boeken zijn gevuld met letters. En dat houd ik graag zo.

Anne van den Dool

Anne van den Dool

Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationale Theater. Ook is ze curator bij het Literatuurmuseum. In 2014 debuteerde ze met de roman Achterland. In 2020 verscheen haar tweede roman, Vluchthaven. Ze publiceerde poëzie in onder andere Tirade, Poëziekrant en DW B.

Andere berichten

leidsCement
oktober 11, 2021
Sophie Jansen
oktober 7, 2021
Kavian Mirzaei
oktober 6, 2021