Een digitale boekentour betekent geen uren in de auto op weg naar pittoreske boekhandels en bibliotheekvestigingen, geen handen schudden van toeschouwers die nog even willen napraten, geen handtekeningen op de eerste pagina’s van zojuist aangeschafte romanexemplaren. In plaats daarvan heb ik me de afgelopen maanden meermaals genesteld achter mijn laptop, een glas water op de ene tafelhoek, een exemplaar van mijn nieuwe roman op de andere.

Voor die online meetings heb ik inmiddels een vaste plaats in huis gevonden: op zolder, strategisch gepositioneerd voor een boekenkast met fotolijstjes en een pannenkoekenplant, zodat men zou kunnen vermoeden dat ik niet alleen schrijfhanden maar ook groene vingers heb. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik me, net als veel vergaderende thuiswerkers, vooral aan de bovenkant uitdos: verder draag ik een comfortabele huislegging die voor geen enkele fysieke gelegenheid geschikt zou zijn.

Geen rit naar de interview- of lezingenlocatie waarin ik kan oefenen wat ik wil zeggen, kan wennen aan het idee dat ik straks voor een groep mensen sta. Een kwartiertje voor aanvang, vaak rond een uur of acht ’s avonds, betreed ik de online vergaderruimte. Vaak wachten de organisatoren me daar al op: vrouwen van middelbare leeftijd, meestal, die zich in de afgelopen maanden de fijne kneepjes van het videobellen hebben geprobeerd eigen te maken. Desalniettemin oogt het licht vaak wat onvoordelig, haperen hun camera’s, weten ze de chatfunctie niet te vinden. Ze helpen elkaar vertederend op weg, verwelkomen de eerste gasten uit de waiting room, blijven stoïcijns doorpraten over de digitale moeilijkheden die ze ondervonden bij het versturen van de uitnodiging voor het evenement.

De gasten, vaak behoorlijk op leeftijd, lijken hun angst voor het digitale speciaal voor deze ontmoeting te lijf te zijn gegaan. Ze rommelen met het standpunt van hun webcams, vloeken omdat ze het geluid niet harder krijgen, vergeten dat ze niet op mute staan – een weerklinken van de achtuurjournaaltune vanuit meerdere woonkamers vlak voor aanvang is het gevolg. Sommige aanwezigen laten via de chat van zich horen: dat ze het fijn vinden er te zijn, dat het onderwerp van de lezing ze aansprak, dat ze het niet kunnen verstaan.

Als de hostende dames uiteindelijk iedereen stil hebben gekregen, krijg ik het woord. Vaak ben ik van tevoren zo vrij geweest aan te geven dat een interviewvorm mijn voorkeur verdient boven een uur lang voor me uit praten in de hoop dat het publiek mijn woorden hoort. Dat betekent dat de organiserende partij in kwestie uit het lokale netwerk een veellezer heeft opgetrommeld, vaak een vrijwilliger uit de bibliotheek of een neerpenner van de geschiedenis van het dorp.

Ze hebben zich uiterst goed voorbereid: hebben het boek meermaals gelezen, hebben mijn website nageplozen, verbanden gelegd tussen de verschillende stukken die ze daar vonden. Vragen naar mijn inspiratiebronnen, vragen naar het autobiografische aspect, vragen naar mijn liefde voor taal. Ik probeer zo uitgebreid mogelijk antwoord te geven, steeds een beetje anders dan tijdens een vorige lezing, om voor mezelf de variatie erin te houden. Op de miniatuurschermpjes zie ik de toehoorders toekijken, soms knikken, vooral als het gaat over het verlies van een dierbare of over het zwijgen dat aan onze geschiedenis in voormalig Nederlands-Indië kleeft. Soms is de Indische gemeenschap vertegenwoordigd, in de vorm van een man of vrouw die de eigen visie op het verhaal geeft, uitweidt over de kampen, de trauma’s, de Bersiap, woorden gebruikt uit een taal die ik alleen van heel ver weg ken.

Terwijl ik mijn verhaal vertel, vraag ik me af welke boodschap ik het liefst aan deze mensen zou willen overbrengen. Wil ik ze vertellen over de inhoud van mijn boek of juist over de ware verhalen die erachter schuilgaan? Wil ik dat ze de personages beter leren kennen of de grootvader en -moeder die voor hen model hebben gestaan? Of gaat het eigenlijk helemaal niet over hen, maar over mij? Ik ben tenslotte degene die op een podium is geklommen om dit verhaal te vertellen – een verhaal dat eigenlijk niet van mij is, maar van de naasten die ik beschrijf, beschreven vanuit mijn gezichtspunt.

Bij een van de laatste lezingen, georganiseerd door de bibliotheek in het dorp van mijn oma, logde zij zowaar in: mijn eigen grootmoeder, de eigenlijke bezitter van het verhaal. Door haar aanwezigheid kreeg de lezing een nieuwe dimensie: de toehoorders zagen de woonkamer die ik in mijn boekbeschrijf, haar grijze haren, haar glimlach. Af en toe schuifelde haar buurvrouw in en uit beeld, die haar ongetwijfeld had geholpen met inloggen en zorgen dat de tablet niet alleen mijn oma’s onderkin in beeld bracht.

Ik wist niet goed of ze begreep dat we niet samen in deze digitale ruimte waren, zo openhartig gaf ze antwoord op de geïmproviseerde vragen van de interviewster. We vulden elkaar aan, versterkten elkaar, grapten dat we samen op tour moesten, en even geloofde ik dat dat het allerbeste idee was: dat we samen het verhaal zouden vertellen dat haar toebehoorde – haar en de man die ze zo intens had liefgehad. Wie weet overtuig ik haar: samen langs boekhandels en bibliotheken, fysieke plekken waar men haar in het echt kan bewonderen. Ze zullen nog meer onder de indruk van haar zijn.

Anne van den Dool

Anne van den Dool

Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationale Theater. Ook is ze curator bij het Literatuurmuseum. In 2014 debuteerde ze met de roman Achterland. In 2020 verscheen haar tweede roman, Vluchthaven. Ze publiceerde poëzie in onder andere Tirade, Poëziekrant en DW B.

Andere berichten

Anne van den Dool
juni 15, 2022
leidsCement
juni 14, 2022
leidsCement
juni 7, 2022