‘Sorry, ik heb je boek nog niet gelezen.’ Deze verontschuldiging komt me met enige regelmaat ter ore, met een vanzelfsprekende piek op het moment dat er net iets nieuws van mij op de markt is verschenen. Met name in die periodes vormt het de openingszin van vele gesprekken met vrienden en familie, die blijkbaar stuk voor stuk lijken te denken dat ik het hen kwalijk neem wanneer ze niet direct na publicatie met hun neus in mijn nieuwste geesteskind zijn gedoken.

Niets is minder waar. Het rustigst word ik van de mensen die zich niet door zulke veronderstellingen laten plagen en alleen teksten van mij lezen als ze daar zin in hebben. Ik schrijf tenslotte niet specifiek zodat vrienden en familie mij beter kunnen leren kennen – ik schrijf omdat ik mijn gedachten wil ordenen, iets moois wil maken, houd van de gesprekken die ik er vervolgens over kan voeren. Met wie dan ook – niet per se met degenen die het dichtst bij mij staan.

Natuurlijk zou ik misschien ietwat teleurgesteld zijn als na de verschijning van iets nieuws van mij niemand uit mijn vrienden- of familiekring zou besluiten het eens open te slaan. Ik gok dat ik misschien het gevoel zou hebben dat men in een belangrijk deel van mij niet wezenlijk geïnteresseerd is. Maar wie de excuses uitspreekt waarmee ik deze tekst begon, probeer ik vooral op het hart te drukken dat ik al die pagina’s zeker niet als verplichte lesstof beschouw die je moet doorakkeren voordat je met mij een gesprek kunt aanvangen.

Wellicht schuilt in die disclaimer ook de angst dat ik tijdens gesprekken continu in alle vanzelfsprekendheid naar die teksten zal verwijzen, en dat men door de mand valt wanneer men mijn referenties niet begrijpt. ‘Zoals je op pagina 23 van mijn debuutroman reeds hebt kunnen lezen’ – dat werk. En dan maar knikken, hopend dat ik niets doorheb.

Ik zal niet ontkennen dat ik blij verrast ben wanneer wel-lezers spontaan zulke verbanden leggen. ‘Hé, zoiets zegt je hoofdpersonage in Vluchthaven ook,’ merken close readers af en toe op. Of, voorzien van een knipoog, wanneer ik over een gebeurtenis vertel die min of meer exact in mijn romans terugkomt: ‘Ik kan zien waar je je inspiratie vandaan gehaald hebt.’

Zulke spitsvondigheden vervullen me met korte blijdschap, maar wegen maar nauwelijks op tegen de angst dat een dierbare zich verplicht voelt een boek van mij door te ploeteren. Ik hoop dat mensen zich realiseren dat het feit dat ik een tekst heb geschreven geen garantie biedt dat die tekst binnen hun straatje zal passen. Wie normaal gesproken alleen thrillers leest en uit plichtsbesef aan een van mijn romans begint, zal bedrogen uitkomen. Datzelfde geldt voor fans van detectives, historische romans, sciencefiction en tal van andere genres. Verwantschap met mij in het echte leven staat nu eenmaal niet garant voor een connectie met wat ik op papier zet.

Mijn sussende woorden hebben lang niet altijd het gewenste effect: gesprekspartners blijven tegensputteren dat ze nu eenmaal oprecht benieuwd zijn, of, half grappend, dat ze het nu toch al in huis hebben, refererend aan de boekpresentatie waar ze mij een handtekening op de eerste pagina hebben laten zetten. Het doet me vrezen dat ze zich ook daar tot iets verplicht hebben gevoeld: tot het aanschaffen van die aan elkaar gelijmde pagina’s en het achteraan sluiten in de rij voor mijn krabbel.

Voor de echte volhouders heb ik altijd nog een troef achter de hand. ‘Mijn vriend heeft niets van mij gelezen,’ zeg ik. Een paar seconden stilte. ‘Hij is ooit aan mijn eerste boek begonnen, maar hij had de rust niet. Hij is niet zo’n lezer,’ voeg ik zo nonchalant mogelijk toe.

Of ik dat niet vervelend vind, is standaard de begrijpelijke vervolgvraag. Ook dan kan ik niet ontkennen dat er natuurlijk weleens naar verlang een gesprek met hem over die teksten aan te knopen, in de hoop dat hij me daarna nog iets beter begrijpt. Maar vele malen belangrijker vind ik het dat hij zich niet tegen heug en meug door die stapel papier heen worstelt, alleen maar omdat ik hij denkt dat wil.

Na al dat gehoofdschud volgt nu toch een knikje. De boodschap lijkt te landen. Anne in de wereld en Anne op papier, dat zijn twee verschillende mensen, naast elkaar. Hoogstens houden ze elkaars hand vast.

Anne van den Dool

Anne van den Dool

Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationale Theater. Ook is ze curator bij het Literatuurmuseum. In 2014 debuteerde ze met de roman Achterland. In 2020 verscheen haar tweede roman, Vluchthaven. Ze publiceerde poëzie in onder andere Tirade, Poëziekrant en DW B.

Andere berichten

Sophie Jansen
december 2, 2021
Anne van den Dool
november 18, 2021
Sophie Jansen
november 16, 2021