‘Jij bent een perfectionist, zeker.’ De geluidstechnicus zet zijn koptelefoon af en kijkt me vragend aan vanachter zijn pc. De microfoon voor mijn neus lijkt me aan te staren, als een mens die naar me opkijkt.

Ik slik.

‘Waarom vraag je dat?’

‘Ik hoorde weinig adem op de take,’ zegt hij. ‘Ik herken het, hoor. Ik ben er zelf ook een.’

Hij draait zijn rug naar me toe en begint te grabbelen in de boekenkast die naast hem staat.

‘Ik zag dat je boeken schrijft. Ik ben zelf ook met eentje bezig.’ Hij heeft te pakken wat hij zoekt, richt zich op met in zijn handen een pak A4’tjes met een zwart-witte kaft eromheen.

‘Ik blijf maar redigeren,’ zucht hij, hij blaast een lange pluk haar voor zijn oog weg. ‘Ik heb het nu een jaar laten liggen en zie weer allemaal nieuwe fouten waarvan ik me niet kan voorstellen dat ze me de vorige keer niet zijn opgevallen. Woorden die beter passen, zinnen die soepeler kunnen lopen.’ Zijn stem klinkt alsof hij moe van zichzelf wordt.

Ik sta hier in de zelfgemaakte studio van deze man met schouderlang haar om een opname te maken van een gedicht. Ik kijk uit over zijn strak ingerichte woonkamer, die hij voor de gelegenheid wat verbouwd heeft – een op zijn kant gezette bank, dienend als geluidsdemper, beschermt mijn rug. ‘Mensen denken altijd dat je het geluid van voren moet weren, maar het gaat juist om de terugkaatsing aan de achterkant,’ legde hij me uit toen ik binnenkwam. Nu neem ik een slok water en kijk ik toe hoe de studioman hoofdschuddend door zijn manuscript bladert.

‘Ik vond een tijdje geleden de laatste correcties van mijn eerste boek terug, van vlak voordat het naar de drukker ging,’ zeg ik, hopend dat hij me hoort. ‘Ik had op het nippertje nog allerlei aanpassingen, minstens een paar per pagina, en ik weet nog hoe ik die toen allemaal ontzettend belangrijk vond. Alsof ik ternauwernood was ontkomen aan een ramp door dat ik al die zogenaamde fouten alsnog had gezien.’

De studioman kijkt me aan, knikt.
‘Maar het gekke was,’ vervolg ik, ‘nu ik die opmerkingen een paar jaar later teruglas, zag ik nauwelijks de verbetering van de correcties in. Terwijl ik toen zelfs een beetje boos was geweest dat niemand me op die zogenaamde fouten gewezen had.’

‘Wauw,’ zegt de studioman – alsof ik hem daadwerkelijk een nieuw inzicht heb bezorgd, terwijl ik me dat niet zo goed kan voorstellen. ‘Dat helpt.’

Het is even stil.

‘Vroeger was ik vreselijk,’ zeg ik. Ik heb het gevoel dat hij – headset rustend op zijn schouders, haar achter zijn oren – die eerlijkheid verdient. ‘Op de basisschool schreef ik al in ieder vriendenboekje bij zowel Mijn beste eigenschap als Mijn slechtste eigenschap Mijn perfectionisme. Ik zag bij groepsopdrachten dat anderen het veel sneller wel goed vonden en was trots dat ik onze cijfers opkrikte, maar ik vervloekte mezelf als ik tot laat in de avond met vierkante ogen achter de computer zat omdat ik nog een keer het hele werkstuk wilde checken, doodsbang als ik was dat er een fout in zou staan.’

De studioman kijkt me warm aan – niet met een blik van medelijden, maar van begrip. Althans, ik denk dat dat het is.

‘Hoe is het beter geworden?’ vraagt hij.

Ik denk even na. Ik kan alleen maar clichématigheden verzinnen: optimaal gebruik van je tijd, de kracht van de imperfectie, leren leven met een zeven. ‘Ik denk dat het beter is geworden sinds ik geen cijfers meer krijg voor wat ik doe,’ hoor ik mezelf zeggen, en het klinkt waar. ‘Toen ik afstudeerde, miste ik die beoordeling aanvankelijk ontzettend – ik wilde weten of collega’s mijn werk met een zes of met een tien zouden beoordelen, maar dat papiertje met een getal rechts bovenin kreeg ik natuurlijk nooit. Hoogstens een halfjaargesprek waarin we mijn competenties langsliepen en bekeken waarin ik nog kon groeien. Maar dat was veel abstracter dan die cijferlijst die vanaf mijn basisschooltijd al mijn leven domineerde.’

De studioman blijft hummen en knikken.

‘Maar na een tijdje wende het,’ zeg ik terwijl ik in gedachten terugga naar mijn zelf van toen. ‘En nu denk ik dat ik er juist gelukkiger van word om complimenten en kritische noten als enige graadmeter te hebben. Nu kan ik meer zelf bepalen hoe ik mijn eigen prestaties zie, of ik meer waarde aan de positieve of aan de negatieve woorden hecht.’

Ik klink zekerder dan terecht voelt. Wat ik deze man niet vertel, is dat de eerste roman die ik schreef precies over dat perfectionisme ging: de zoektocht naar wie je kunt zijn als je niet continu streeft naar het hoogst haalbare, en hoe erg dat er met de paplepel in gegoten kan zijn. Dat ik in interviews die eigenschap als een symptoom van onze tijd probeerde te framen – een punt dat acht jaar geleden, nog voor de Instagramfilters en hausse aan plastische chirurgie, iets minder vaak gemaakt was dan nu. En toch: ook toen moest je al zo vroeg mogelijk in je leven zo succesvol mogelijk zijn. Het feit dat ik op mijn negentiende het contract voor dat boek had getekend en dat het op mijn twintigste in de schappen lag, was daar vooral een ironische bevestiging van.

Ik ben niet de enige. Om mij heen, maar ook op televisie, hoor ik mensen continu zeggen dat ze zulke enorme perfectionisten zijn. In de tijd die sinds de verschijning van dat boek verscheen, is ons maatschappelijke drang naar perfectie niet minder geworden – sterker nog: we zijn alleen maar beter geworden in het opleggen van de druk om het mooiste gezicht te hebben, in één keer de juiste studie te kiezen en ondanks de slopende woningmarkt toch een huis te kopen en dat alles vast te leggen in zonnig gekleurde plaatjes. We zijn er inmiddels zelfs zo aan gewend dat het lijkt alsof die rapporteerdrang er nooit niet geweest is.

Ik heb de afgelopen jaren regelmatig gedacht dat ik minder perfectionistisch was geworden. Dat ik inderdaad die clichématige schoonheid van het imperfecte inzag, kritiek steeds beter leerde incasseren. Maar ik realiseer me steeds meer dat de grootste vorm van perfectionisme niet schuilt in het eeuwig blijven nalezen van mijn teksten, maar in de manier waarop ik mijn leven inricht: als een tot de rand gevuld waterglas waarvan ik geen druppel mag verspillen. En dus grijp ik alle klussen die ik toegespeeld krijg met beide handen aan, moet ik elke week een nieuwe hobby van mezelf verzinnen en rust ik in de weekenden niet totdat ik minimaal duizend woorden op papier heb gezet. Ik mag op de millimeter misschien minder streng voor mezelf zijn geworden, op de kilometer ben ik dat nog steeds.

Ik realiseer me dat ik met die levenshouding een hoop in een week gepropt krijg. En toch: na die week weet ik nooit zeker of ik klaar ben voor de volgende. Het is nog steeds als toen: perfectionisme als een vijand en als een vriend, precies zoals ik het destijds in die vriendenboekjes noteerde.

Na mijn ontboezeming richting de studioman klapt hij zijn A4-stapel dicht. ‘Nog één take,’ zegt hij. Ik probeer te ademen, mijn stem minder geknepen te laten klinken. Halverwege het gedicht steekt hij zijn duim naar me op.

Even later nemen we met een glimlach afscheid van elkaar. Wat ik dan nog niet weet, is dat hij me die middag nog zal bellen met een spijtige stem: er zit een vreemd tikje in het fragment, dat hij er niet uitgefilterd krijgt. De opname is mislukt. Ik stel hem gerust, zeg dat we in elk geval een goed gesprek hebben gehad, en ik denk weer aan het glas en de waterdruppels die eruit kunnen vallen, en dat dat misschien toch niet zo erg is. Wie weet krijg je er iets anders voor terug.

Anne van den Dool

Anne van den Dool

Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationale Theater. Ook is ze curator bij het Literatuurmuseum. In 2014 debuteerde ze met de roman Achterland. In 2020 verscheen haar tweede roman, Vluchthaven. Ze publiceerde poëzie in onder andere Tirade, Poëziekrant en DW B.

Andere berichten

Anne van den Dool
oktober 31, 2022
Anne van den Dool
september 19, 2022
Anne van den Dool
augustus 10, 2022