Vrijdagochtend. Een appje van een vriendin met een link naar een FD-artikel. Dit al gezien?

Openen, zien: mijn tweede roman wordt bestempeld als een van de tien beste fictieboeken van dit moment. Vluchthaven krijgt een plekje naast Marieke Lucas Rijneveld, Esther Gerritsen, Walter van den Berg en Allard Schröder. ‘In Vluchthaven slaagt Van den Dool erin de grote thema’s van het leven terug te brengen tot een klein, bijzonder invoelbaar verhaal,’ staat er. Echte recensiewoorden – ik ken ze uit mijn eigen beoordelingspen, die soms een loopje neemt met je eigen mening: voor je het weet heb je weer een superlatief neergekrabbeld, dat niet altijd strookt met de werkelijke grootte van je enthousiasme.

Nog voordat ik blijdschap, verwondering of een andere emotie kan voelen, begint mijn innerlijke promotiemachine te pruttelen. De eerste gedachte: dit moet op Facebook. De tweede: valt dit bericht voldoende binnen het zakelijke domein om ook op LinkedIn te mogen rondparaderen? Vervolgens: wie kan ik taggen? Welke hashtags moeten erbij?

De daaropvolgende drie kwartier ben ik bezig met het zorgvuldig in elkaar knutselen van een tekst die – naar ik hoop – niet zozeer opdeborstklopperij uitstraalt, maar die bewondering uitspreekt voor de andere auteurs in het rijtje, trots laat blijken op deze mooie plek in een landelijke krant en dankbaarheid toont voor het mooie podium. Dat is de kern van dit soort zelfpromotie, heb ik inmiddels geleerd: fier ben je niet op jezelf, fier ben je op een ander.

In de tegenwoordige tijd bestaat tachtig procent van het schrijverschap uit stampij maken om je eigen werk. Of je er nu behoefte aan hebt in die spotlight te staan of je boeken liever in stilte schrijft: je moet en zal je eigen promotiemedewerker zijn, die zijn eigen socialmediaberichten post, zijn eigen contacten aanboort, zijn eigen marketingkanalen aanspreekt. Uitgeverijen hebben daarvoor geen tijd en geen geld; hoogstens hebben ze een mooie stapel met recensie-exemplaren om op de post te doen of een paar minuten de tijd om te polsen bij een landelijk dagblad of een radioprogramma of ze nog voornemens zijn een recensie aan het boek in kwestie te wijden.

De rest moet je zelf doen. En dus begon ik na het verschijnen van mijn tweede boek – anders dan bij mijn eerste, toen sociale media nog een minder grote vinger in de pap hadden en ik, overweldigd door alle nieuwigheid, gewoon blij was dat het boek er was – met het optrommelen van mijn netwerk. Ik vroeg bibliotheekdirecteuren die ik de maanden daarvoor had gesproken over hun omgang met het coronavirus of ze misschien een plekje vrij hadden in hun programmering, mailde naar de websites en magazines waarvoor ik schrijf of ze wellicht ruimte hadden voor een bespreking, essay of interview en postte berichten op alle online kanalen die ik tot mijn beschikking had.

Terwijl ik dit alles deed, walgde ik een beetje van mezelf. Ik schrijf geen boeken omdat ik gekend wil worden, ik schrijf boeken omdat ik houd van schrijven en praten over de onderwerpen die me bezighouden. Maar om dat te kunnen blijven doen, moet je je als auteur steeds meer out in the open begeven, roepen wat je allemaal doet, zichtbaar zijn.

En dat terwijl schrijven bij uitstek een vrij onzichtbare bezigheid is, die velen het liefst in stilte uitvoeren, juist zonder al die roepende stemmen van buitenaf. Zonder telkens bezig te moeten zijn met de vraag: ben ik er genoeg? Ben ik er te veel?

Vlak voor de tweede golf in alle hevigheid uitbrak, mocht ik een laatste lezing geven in de bibliotheek in Zoetermeer. Een van de luisteraars, een vrouw van middelbare leeftijd met een net-niet-rechte pony, bleek zelf ook een boek te hebben geschreven. Ze had het toevallig bij zich, zei ze terwijl ze het uit haar schoudertas haalde. Of ze misschien een foto van me moest maken, in de bibliotheek? Onwennig nam ik plaats op een stoel, hield krampachtig de kaft mijn boek vast.

‘Nee, draaien moet je,’ zei ze gehaast, en duwde mijn been in een andere hoek. ‘Ja, zo valt het licht goed. Kijk, meisje, ik leer je het wel.’

Ik mocht haar boek hebben, vertrouwde mijn patronne me in vliegtuigvlug tempo toe. Er stonden maar twee kleine dingetjes tegenover: of ik haar boek een mooie recensie wilde geven op Bol.com – als ik verbeterpunten had, mocht ik die zelf naar haar mailen, dat hoefde niet in het openbaar – en of ik misschien eens bij mijn eigen uitgever wilde polsen of die interesse had in een persoonlijk verhaal over antidepressiva. Pas toen anderhalf uur later werd omgeroepen dat de bibliotheek op het punt stond te sluiten, wist ik haar met een flauwe glimlach af te schudden.

Deze vrouw overschreed alle regels die ik in gedachten voor mezelf had opgesteld om niet over te komen als een drammerige schrijver die elke gelegenheid probeert te benutten om zijn eigen roman te slijten. Hier stond de vleesgeworden incarnatie van mijn angst te veel te zijn aan mijn been te rammelen, in iedere bijzin een heuglijk feitje proppend over het boek dat ze van de persen had laten rollen. (‘Het staat hier ook in de bibliotheek, en ook in Ypenburg en Leidschendam. Mijn uitgever was meteen onder de indruk van het verhaal – het is zo actueel; iedereen moet dit lezen, zei hij meteen. Ik mocht ook bij de Zoetermeerse radio komen, en ik heb een lezing gegeven bij het buurthuis in mijn dorpskern.’)

Overschreed ik onbewust wellicht continu ook al deze grenzen? Waren mijn Facebookposts in al hun zogenaamde nederigheid niet net zo kleverig en aanstootgevend? Moest ik mijn tijd voortaan niet weer meer besteden aan het schrijven van verhalen en gedichten in plaats van aan het knippen en plakken van zo flitsend mogelijke Instastories?

En toch: terwijl ik naar buiten liep, begonnen de raderen alweer te draaien. De zichtbare ik begon al met het terugkijken van de foto’s, het bedenken van zogenaamd nederige zinnen, het opsommen van hashtags. Genoten van mijn lezing over #Vluchthaven deze zondagmiddag @bibliotheekzoetermeer. Warme ontvangst. Hoge opkomst. Groot succes.

Anne van den Dool

Anne van den Dool

Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationale Theater. Ook is ze curator bij het Literatuurmuseum. In 2014 debuteerde ze met de roman Achterland. In 2020 verscheen haar tweede roman, Vluchthaven. Ze publiceerde poëzie in onder andere Tirade, Poëziekrant en DW B.

Andere berichten

Anne van den Dool
juni 15, 2022
leidsCement
juni 14, 2022
leidsCement
juni 7, 2022