Als schrijver blijf je een beetje heilig. Ik weet niet waaraan we het als beroepsgroep te danken hebben, maar wanneer ik vertel dat ik boeken maak, krijg ik in de regel grote ogen en een omhooggaand ooh als reactie. Ik heb dan nog niet verteld hoeveel manuscripten ik heb geschreven, of die daadwerkelijk zijn gepubliceerd en waarover ze precies gaan – schrijver zijn is genoeg. Vooral schoolklassen reageren vol verwondering: het maakt niet uit of ze mij kennen, ze willen hoe dan ook een handtekening op hun bovenarm.

Natuurlijk, het is ook een bijzondere bezigheid. Je gedachten zo secuur mogelijk overbrengen op een fysiek dan wel digitaal blad papier – dat vergt originele gedachten, formuleringskracht, doorzettingsvermogen, de acceptatie van eenzaamheid. Het is bovendien een oeroude handeling, die door dat ritualistische karakter bijna een bepaalde sacraliteit krijgt: de wens jouw ideeën over te brengen naar volgende generaties. Zonder het geschreven woord hadden we onze kennis minder goed kunnen vastleggen en dus overdragen – we hebben er een deel van de vooruitgang van onze maatschappij aan te danken.

En toch: ik kan me niet voorstellen dat dat is waaraan mensen denken wanneer ik ze tijdens een voorstelrondje vertel dat ik schrijver ben – of romanauteur, als ik toehoorders al iets meer de goede richting op wil helpen. Ik moet dan vaak nog een beetje bijkomen van het feit dat ik het weer heb aangedurfd me zo vrijpostig te presenteren, maar zij zitten in hun gedachten waarschijnlijk al bij het beeld van een oude man, ganzenveer in de hand, het gelaat verlicht door het schijnsel van zijn flikkerende gloeilamp – het clichématige beeld van een schrijver. Ze denken aan zijn voortploeteren, zijn krassen en zijn schrappen, zijn wilskracht. Of ze denken aan de ridicuul scheve verhouding tussen de hoeveelheid Nederlanders die schrijfambities heeft en het aantal debuteerplekken dat bij uitgeverijen beschikbaar is. Of ze staan misschien even stil bij hun eigen wens tot het optekenen van hun levensverhaal, een fantasy novel, een dichtbundel.

En ze zien mij, denk ik soms te bespeuren, als degene die kan vertellen hoe het werkt. Hoe je jezelf elke keer weer achter dat vel papier, dat computerscherm of die typemachine zet. Hoe je weet welke woorden je moet kiezen, welke kant het verhaal moet opgaan, hoe je personages creëert. En hoe je vervolgens een uitgever benadert: pen je een lange brief neer waarin je je passie voor het schrijven uiteenzet, volstaat een bondige ansichtkaart, stuur je het hele pak papier geprint en wel op of is een mail toch verstandiger? Hoe krijg je hun aandacht, hoe houd je die vast?

Maar meer nog dan een bron van informatie voel ik me soms simpelweg een vreemde diersoort. Een schrijver in het wild, dat zaait opwinding. Zelfs als je de auteur in kwestie helemaal niet kent, zoals bij mij vaker wel dan niet het geval is. ‘Ik had nog niet eerder van je gehoord,’ geven interviewers vaak openhartig toe. Ze klinken vaak verbaasd, alsof iedere schrijver automatisch een beroemde schrijver is.

Dat misverstand mag snel de wereld uit worden geholpen: er zijn veel meer auteurs – ook gepubliceerde – dan een mens kan onthouden, lezen en herkennen. Ik voel me dan ook zelden beledigd wanneer iemand weer eens opbiecht nooit van mijn bestaan te hebben geweten: ik deel mijn positie als verhaalproducent met vele anderen, en allemaal vechten we om dat felbegeerde plekje op de toptientafel en in de boekenkast. Bovendien weet ik dat men even blanco reageert als ik de namen van de schrijvers noem die als mijn inspiratiebronnen dienen, terwijl zij inmiddels allerhande literaire prijzen in de wacht hebben gesleept.

Het is een wat vreemde contradictie: iemand bewonderen om diens positie als maker, en daarmee als publieke figuur, terwijl je je niet kunt herinneren dat je ooit met diens werk in aanraking gekomen bent. Niet beroemd, wel bijzonder, zo vat ik die dubbelheid in gedachten doorgaans samen wanneer ik iemand weer op twee benen zie hinken als reactie op mijn schrijverschap. Als auteur ben je een vereniging van tegenstellingen: een samenkomst van creativiteit en doorzettingsvermogen, van talent en geluk, van lijken op die ander en tegelijkertijd een totaal exotisch figuur zijn, dat zich niet in hokjes van een sterfelijk mensenleven laat passen. Want uiteindelijk blijft het, onbewust, misschien toch dat ene wat het schrijver zijn in de ogen van anderen zo bijzonder maakt: dat je iets creëert dat de potentie heeft generaties te overstijgen, kennis over de tijd heen te tillen, en hoe je jezelf daarmee een klein beetje onsterfelijkheid aanmeet.

Anne van den Dool

Anne van den Dool

Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationale Theater. Ook is ze curator bij het Literatuurmuseum. In 2014 debuteerde ze met de roman Achterland. In 2020 verscheen haar tweede roman, Vluchthaven. Ze publiceerde poëzie in onder andere Tirade, Poëziekrant en DW B.

Andere berichten

Sophie Jansen
december 2, 2021
Anne van den Dool
november 18, 2021
Sophie Jansen
november 16, 2021