Het podium en ik hebben een tegenstrijdige relatie met elkaar. De abstracte gedachte van mijzelf op een verhoging, een microfoon op een standaard waar ik naartoe mag buigen, het publiek daar in het donker dat ik vanaf die plek mag bestuderen – op dat beeld verheug ik me maar al te graag. 

Wanneer dat moment dichterbij komt, kantelt dat gevoel. Ik begrijp plotseling niet meer waar dat met plezier vooruitblikken ‘m precies in zat – ik denk alleen nog maar aan dat grote podium en mij als bibberend poppetje daarop, en mijn woorden die waarschijnlijk niet zo zullen aankomen als ik ze had bedoeld, omdat ik stotter, mijn adem verlies, over mijn woorden struikel, per ongeluk grapjes maak die in slechte aarde vallen. Ik heb vast mijn publiek fout ingeschat: de verkeerde poëzie uitgekozen, mijn lijst met voor te dragen gedichten te lang gemaakt, mijn verhaal op een vreemd punt afgebroken, mijn – 

En dan sta ik daar, met die lichten op mijn gezicht, die microfoon voor mijn neus, en plots weet ik weer hoe het is om mensen met woorden te kunnen bespelen, hoe warm een applaus kan klinken, hoe oprecht een ontsnapte oh van bewondering uit het publiek. De tijd kruipt en vliegt voorbij tegelijkertijd: er is alleen maar die stroom van woorden uit mijn mond en oren die daarnaar luisteren. 

Wanneer ik van het podium stap, overheersen twee gevoelens. Allereerst de opluchting dat ik de opdracht tot een einde heb gebracht zonder mijn been te breken, de zaal me te laten uitjoelen, verstrikt te raken in het snoer van de microfoon. Maar daarnaast toch iets anders: dat ik mezelf opnieuw voor gek heb gezet. 

Publiek is namelijk het merendeel van de tijd stil. Ik kan niet horen wat ze denkt, en dus interpreteer ik die stilte als afkeuring. Zo snel gaat het in mijn gedachten: geen woorden of klappende handen die mijn woorden prijzen en direct is daar de conclusie dat het een afgang moet zijn geweest. De aanwezige dierbaren zijn vaak geneigd dat te weerspreken: iedereen vond het mooi, zeggen ze, wat jij hoorde, was geen stilte, maar ademloosheid. 

En toch: waarom voel ik me dan zo leeg als ik van het podium stap? Waarom denk ik bij iedere aanwezige die naderhand niet op me afloopt om me te bedanken voor mijn voordracht: jij hebt je verveeld? Waarom voel ik me na zo’n optreden vooral een zielig vogeltje, ondanks de bemoedigende woorden van mijn vader, moeder, geliefde of vrienden? 

Soms denk ik dat het komt omdat het ergens, diep in mijn gedachten, verboden is van dat podiummoment te genieten. Op een podium staan betekent tijd en ruimte opeisen, en ik weet niet of ik daarin een bemoedigende leerschool heb gehad. Ik heb van huis uit geleerd te wachten tot je een vraag gesteld krijgt voordat je een verhaal mag vertellen, onzeker als je anders zou moeten zijn of die ander wel in jouw woorden geïnteresseerd is. Ik heb geleerd dat je stem verheffen gelijkstaat aan dominantie, aan overwoekeren, en dat is hoe dan ook iets slechts. 

Ik herinner me het moment dat ik ten het einde van mijn basisschoolperiode mijn rapport toegeschoven kreeg en dat daarin genoteerd stond dat ik ergens in de weken daarvoor bazig was geweest toen ik de leiding had genomen tijdens een groepsopdracht. Ik wist over welk moment het ging: het was een moment waarop vier van mijn klasgenoten door elkaar hadden gebruld en ik geprobeerd had hen tot stilte te manen – niet omdat ik aandacht zocht, maar omdat ik de behoefte voelde om orde aan te brengen. 

Aandacht opvragen zonder die te willen – het blijft de paradox van het podium. Want waarom zou ik mijn verhalen willen laten horen als de ander mij geen vraag gesteld heeft, als ik niet zeker weet of daarna een kritisch rapport toegeschoven krijg? En waarom zoek ik dan toch elke keer dat verscheurende moment weer op, schuif ik mezelf die zenuwen toe, en achteraf de onzekerheid van een gastvrouw die niet weet of haar gasten zich wel amuseren? 

Het antwoord ligt misschien in mijn moeder, die me laatst tijdens een zaterdagmiddagwandeling toevertrouwde hoe verlegen zij zelf als klein meisje was geweest. Dat ze altijd was blijven schuilen achter de rokplooien van haar eigen moeder, stil was in de klas. Ze wist zelfs nog dat aan het einde van haar basisschoolperiode de leraar bij haar thuis was langsgekomen om met haar ouders te bespreken naar welke middelbare school ze zou gaan, en dat ze de hele avond gezwegen had. 

Toen ze wist dat ze moeder zou worden, dacht ze terug aan dat moment, vertelde ze, en besloot ze dat ze haar kind één ding wilde leren: een verhaal te vertellen. We zwegen even, keken elkaar niet aan, keken voor ons uit terwijl we voortstapten over het bospad. 

‘Je kunt wel zeggen dat dat gelukt is,’ voegde ze er hoorbaar glimlachend aan toe.

📷Unsplash | Kane Reinholdtsen

Anne van den Dool

Anne van den Dool

Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationale Theater. Ook is ze curator bij het Literatuurmuseum. In 2014 debuteerde ze met de roman Achterland. In 2020 verscheen haar tweede roman, Vluchthaven. Ze publiceerde poëzie in onder andere Tirade, Poëziekrant en DW B.

Andere berichten

Anne van den Dool
september 19, 2022
Anne van den Dool
augustus 10, 2022
Anne van den Dool
juli 13, 2022