Lang dacht ik dat mijn dagelijkse tekstwerkzaamheden goed bij mij passen omdat ik houd van taal. Van het neerpennen van mijn eigen gedachten, zo dat ze plotseling tastbaar en deelbaar worden. Van bijna onuitdrukbare ideeën die toch uitdrukbaar blijken. Van de techniek van het omvormen van een zin, zo dat die precies zegt wat je bedoelt. Van het zo nauwkeurig oppoetsen van een tekst dat er geen foutje meer in te vinden is.

Een tijd vroeg ik me af of een groot deel van mijn taalplezier misschien ook in het vele oefenen zit. Ergens op de basisschool, toen ik telkens met hogere stapels bij de dorpsbibliotheek vandaan kwam, toen ik merkte dat mijn schrijfschriftjes sneller vol waren dan die van mijn klasgenoten, toen ik hele middagen begon door te brengen achter de grote brommende computer op de werkkamer van mijn moeder om mijn verhalen over te typen en van een kunstige lay-out te voorzien, nam ik onbewust een afslag. Een afslag richting het schrijven. Richting boeken, literatuur.

Het schrijven bij mij op allerlei verschillende manieren. Omdat het technisch en creatief tegelijk is. Omdat het gaat om details, om gevoelens omzetten in iets concreets. Maar inmiddels weet ik dat er nog zoveel meer aansluitingen zijn tussen schrijven en mijn persoonlijkheid. Ik zou bijvoorbeeld ook kunnen proberen mijn gedachten en ideeën aan een ander over te brengen via een penseel of stuk klei. Ik houd tenslotte ook enorm van beeldende kunst, en had als kind behalve een vol schrijfschriftje ook genoeg inspiratie voor een gevulde tekenmap. Mijn ouders hebben ooit zelfs gehoorgegeven aan mijn wens eens uit te proberen of ik mezelf ook op die manier kon uitdrukken en een deel van de zolder ingericht als atelier, compleet met kasten voor mijn kwasten en kladblokken, een ondergrond waarop gekliederd mocht worden, een tafel die verfvlekken-proof was en al het nodige teken- en schildergerei. Behalve enkele vluchtig neerzette houtskooltekeningen en beginnende schetsen van een gezicht die ik trots met spelden aan de muur prikte, is er tot op de dag van vandaag geen enkel kunstwerk te vinden.

Ik besef steeds meer dat schrijven meer dan welke andere activiteit past bij mijn opgeruimde geest. Voor mij geen kliederhoek in een afgelegen kamer in het huis, geen eindeloze hoeveelheden kwasten in verschillende groottes. Voor schrijven heb ik enkel papier, pen of potlood of een computer nodig. Laatst schreef ik in de trein zelfs voor het eerst een hoofdstuk op mijn telefoon – er ging een wereld voor me open, zo weinig afhankelijk van spullen als ik nu was.

Taal maakt weinig troep, zei ik laatst in een interview, en de ondervrager vond dat zo treffend dat hij er meteen de kop van maakte. Het was misschien een iets te overdreven bevestiging van het beeld dat men op basis van mijn schrijfsels en wat ik daarover mag vertellen toch al van mij heeft: het idee dat ik mijn leven koste wat het kost opgeruimd en voorspelbaar houd. Het Leidsch Dagblad bevestigde dat beeld bij de verschijning van mijn laatste boek nog maar eens door de kop ‘Anne van den Dool gedijt bij orde, structuur en regelmaat’ op de voorkant van de zaterdagbijlage te zetten.

Blijkbaar is dat wat men opvallend aan mij vindt: ergens verwacht men van een schrijver misschien toch de getormenteerde kunstenaar die ongedoucht en met ontploft haar de pen in de inktpot doopt, te midden van hoge stapels ongesorteerde boeken en paperassen. Mij niet gezien: in mijn werk- en schrijfkamer geen losse stapels romans of mapje met uitstekende papieren. In mijn kamer alleen een apparaat waarin ik al mijn gedachten kwijt kan.

Gek genoeg realiseer ik me pas kort dat mijn behoefte aan opgeruimdheid ook door de praktische kant van het schrijven bevredigd wordt. Geen rondslingerende canvassen op zolder of uitwekende verfkwasten in de keuken. Niets om op te ruimen, behalve een dicht te klappen laptop die ik onder de bank schuif. Taal ruimt mijn hoofd op én laat zich makkelijk opruimen – twee vliegen in één klap.

De realisatie kwam toen ik mijn geliefde, zelfstandige in de evenementenbranche, via allerhande webshops weer eens een zwik stoelen, tafels, hanglampen en kussens zag bestellen. Loodsen van tientallen meters breed, diep en hoog zijn door hem gevuld met stellingen vol met decoratiekerstbomen, yogamatten, tenten, televisieschermen en al het andere wat je nodig zou kunnen hebben om een evenement meer cachet te geven. Soms bestelt hij iets wat hij al heeft zonder blikken of blozen nog een keer, simpelweg omdat het ergens onbereikbaar achterin staat.

Wanneer ik hem zijn online winkelkarretje zie volladen, prijs ik mezelf gelukkig met mijn relatief simpele en misschien zelfs duurzame hobby. Voor mij geen eindeloze zoektocht naar het juiste materiaal, geen angst dat de levertijd van een product niet wordt gehaald, geen gesjouw met spullen van de ene plek naar de andere. Ik hoef maar op één plek te blijven, en dat is waar mijn schrijfgerei zich bevindt. Daar ruim ik de troep van mijn gedachten op, door ze te noteren, te ordenen en door te geven.

Anne van den Dool

Anne van den Dool

Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationale Theater. Ook is ze curator bij het Literatuurmuseum. In 2014 debuteerde ze met de roman Achterland. In 2020 verscheen haar tweede roman, Vluchthaven. Ze publiceerde poëzie in onder andere Tirade, Poëziekrant en DW B.

Andere berichten

Anne van den Dool
juni 15, 2022
leidsCement
juni 14, 2022
leidsCement
juni 7, 2022