Tegen anderen zeg ik dat ik verliefd ben op poëzie. Op de bijzondere afmetingen van bundels, die eigenwijs tussen de andere boeken in de kast uit piepen. Op de zorgvuldige vormgeving, met eigenzinnige letters op het omslag. Op het vele wit op de pagina’s, dat vertelt: ieder woord dat hier staat, heeft betekenis. Op de voordracht ervan: zo’n bundel in je hand geklemd houden en eruit voorlezen, soms fluisterend, soms schreeuwend, versnellend en vertragend, bijna als een lied.


Al die beweringen kloppen. Ik lees poëzie net zo graag als ik het schrijf. Ik kan me begraven in bundels, ieder woord willen begrijpen. Toch, moet ik met schaamrood op de kaken toegeven, geldt dat lang niet voor alle poëzie die ik lees. Ik merk het opnieuw nu ik de bloemlezing van Ilja Leonard Pfeijffer lees, met meer dan duizend gedichten uit de recente geschiedenis van de Nederlandstalige poëzie: bij het overgrote deel van de gedichten dwalen mijn gedachten af. Omdat ik niet voldoende aanknopingspunten vind met mijn eigen gedachten, omdat de woorden willekeurig op me overkomen, omdat ik me voor de gek gehouden voel door de maker, die met al die strofen misschien geen enkele andere bedoeling heeft gehad dan het schrijven van een tekst die anderen voor poëzie zouden aanzien.


Wanneer ik al die dingen denk, voel ik me soms net een middelbareschoolleerling die voor het eerst van zijn leven een gedicht voorgeschoteld krijgt. Het ongemak bij de woorden, waarvan de betekenis zich niet direct laat raden. Het gevoel dat er meer schuilt achter de tekst, maar je er niet bij kunt.


Maar ook in die dikke bundeling van Pfeijffer kom ik soms een gedicht tegen dat me raakt – en dat me, af en toe, ook direct aan het huilen brengt, ik weet niet altijd waarom. Laatst nog trof mij opeens Warme nacht van Ivo van Strijtem:


graag stel ik mij voor:

de lente in je lenden


een warme nacht waarin

je wakker lag en wist:

er dromen jongens van me


en je handen zochten waarom


Ik weet dat er veel mensen in deze wereld rondlopen die bang zijn voor poëzie, het ondoorgrondelijk vinden of saai. Die mensen begrijp ik. Sterker nog: ik besef meer en meer dat ik misschien wel een van hen ben – hoe betoverd ik ook raakte van de eerste gedichten die ik als jong meisje las. Ook ik raak vaak genoeg verward, misschien zelfs wel teleurgesteld. Maar blijkbaar is het vinden van dat ene gedicht telkens toch weer genoeg om door te gaan – met lezen, maar ook met schrijven.


Soms heb ik het idee dat mensen die zich afgeschrikt voelen door poëzie denken dat ze alle gedichten die ooit geschreven zijn mooi moeten vinden. Dat is onmogelijk – daar is poëzie veel te veelvormig voor. Alle poëzie op die manier op één hoop vegen klinkt voor mij hetzelfde als alleen mogen zeggen dat je sportief bent als je alle sporten op aarde hebt uitgeprobeerd. Je hoeft je maar door één gedicht te laten raken om verkocht te zijn, denk ik. Dat mag het gedicht hierboven zijn, maar ook iets volstrekt anders. Dat zoeken en dat vinden, dat gun ik iedereen.

Anne van den Dool

Anne van den Dool

Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationale Theater. Ook is ze curator bij het Literatuurmuseum. In 2014 debuteerde ze met de roman Achterland. In 2020 verscheen haar tweede roman, Vluchthaven. Ze publiceerde poëzie in onder andere Tirade, Poëziekrant en DW B.

Andere berichten

Anne van den Dool
juni 15, 2022
leidsCement
juni 14, 2022
leidsCement
juni 7, 2022