‘Wassenknippendrogen?’ Uit de mond van deze jongen – schaar nog in de hand, zwart haar in een knotje – klinkt het als één woord. Hij begeleidt me naar de wastafels, om en om afgezet met wit-rood lint, waar ik mijn hoofd in handen van koud porselein moet leggen voordat hij de warme straal op mijn kruin zet. Tedere bewegingen van een vreemde in een tijd van huidhonger.

Zijn woorden raken vertroebeld door het water dat langs mijn oren stroomt. Of ik nog studeer, al werk. De vragen van kappers en tandartsen die geen stilte willen laten vallen. Hij is vergeten dat hij mij de vorige keer ook heeft geknipt. In gedachten herhaal ik de feiten die ik me over hem herinner: komt uit Syrië, woont samen met zijn broer in een buitenwijk van Rotterdam. Zat de hele lockdown lang thuis, sportte zich een ongeluk om de verveling tegen te gaan. Ik besluit het gesprek deze keer anders in te steken, mezelf niet voor het gemak alleen maar tekstschrijver te noemen, te zien hoe ver hij me volgt.

‘Ik schrijf essays,’ zeg ik terwijl hij de shampoo met cirkelende vingers in mijn haren masseert. ‘En recensies. Over boeken.’

‘Wat voor boeken?’ vraagt hij terwijl hij het schuim afspoelt, mijn haren als een nat dier in een handdoek wikkelt.

‘Romans,’ antwoord ik. ‘En poëzie. Gedichten. Fictie, dus.’

Dit zijn voor hem te veel woorden met te weinig betekenis, voel ik aan zijn zwijgen. ‘Dus, eh, verzonnen dingen en zo?’

‘Verzonnen dingen en zo,’ bevestig ik.

Hij wijst me mijn plek, een kaptafel in het midden van de zaak. Ik krijg de gebruikelijke zwarte cape omgehangen. Mijn tulband wordt afgedaan. Half over mijn spiegel hangen letters van een woord dat, zie ik, onderdeel uitmaakt van een pastelroze hoera, een meisje-slinger die in de uiterste hoeken van de ruimte aan het plafond bevestigd is.

‘Ik ben nu bijvoorbeeld,’ schraap ik mijn keel, ‘een artikel aan het schrijven over personages die’ – haper, hoe leg ik dit uit – ‘niet goed weten of ze man of vrouw zijn.’

Stilte bij mijn achterhoofd. Alleen het rollen van de wieltjes van zijn stazitstoel, het rommelen in de la met knipgerei.

‘Ze voelen zich ongemakkelijk,’ vervolg ik, ‘omdat ze andere kleren dragen, hun haar anders doen, niet dezelfde dingen leuk vinden als andere jongens of meisjes. Ze voelen zich in allebei de hokjes niet helemaal thuis.’

‘Aha,’ antwoordt hij haperend. ‘Zoals bij de toiletten?’

‘Precies, zoals bij de genderneutrale toiletten,’ knik ik iets te enthousiast, waardoor hij zijn schaar even terugtrekt.

‘Interessant genoeg denken de hoofdpersonen in die boeken vaak na over hoe het in de dierenwereld gaat,’ ga ik nog een stapje verder. ‘In het dierenrijk heb je tenslotte talloze variaties: dieren met twee geslachten, die dus zowel mannetje als vrouwtje zijn, dieren die zichzelf kunnen bevruchten, dieren die…’

Ik pas steeds minder van mijn taalgebruik aan, merk ik, met steeds fletsere ogen van zijn kant als gevolg. Het is lastig mezelf serieus te nemen met de haarclips die hij zojuist aan de zijkant en boven op mijn hoofd in mijn kapsel geschoven heeft. Ik moet denken aan de laatste keer dat ik bij de kapster in het dorp kwam, een jonge vrouw met steeds een andere kleur donkerbruin in haar haren die mij al sinds mijn kinderjaren knipte, en die voor mijn gevoel minder snel ouder werd dan ik. De laatste jaren was ik haar steeds meer vragen gaan stellen: over hoe ze het vond zo dicht bij onbekende mensen te komen, zo’n belangrijke rol te spelen in de manier waarop zij door anderen werden gezien.

‘Jij denkt veel, hè,’ had ze die laatste keer gezegd. Ze liet in het midden of dat goed of slecht was.

Via de spiegel kijkt de jongen afwachtend naar mijn stilgevallen mond.

‘Enfin, die personages herkennen zich in die dieren. En dat vind ik interessant, want – ’ Mijn ogen vallen op de babyslinger.

‘Kijk,’ wijs ik, een onzichtbare vinger die een berg in mijn cape prikt. ‘Hoera, een meisje. Waarom vieren we dat pasgeboren baby’s een jongen of een meisje zijn? Het een is tegenwoordig toch niet langer beter dan het ander? En wat als het geen jongen of meisje is, maar iets ertussenin?’

De wieltjes stoppen met rollen. De jongen vindt mijn blik in het spiegelglas, ziet hoe mijn wangen rood geworden zijn van de hitte die zich door mijn enthousiasme onder het zwarte plastic verzameld heeft.

‘Ik datete ooit een meisje,’ begint hij klein, ‘en ze wilde niets met mij doen. Ik was haar eerste vriendje, dus ik dacht dat zij verlegen was.’ Hij valt even stil. ‘Ik werd heel onzeker.’

Hij neemt mijn haar tussen zijn vingers, laat de schaar schuin langs zijn huid glijden. ‘Later hoorde ik dat zij lesbisch was geworden. Toen begreep ik het beter.’

Ik snap niet waaraan ik dit plotselinge toevertrouwen te danken heb. Ik heb niet naar zijn lichaamstaal geluisterd, heb hem nauwelijks iets gevraagd. En toch krijg ik een cadeau uit zijn gedachten – gedachten die niet helemaal aan de puzzelstukjes van de mijne passen, maar toch: een cadeau.

‘Geen jongen en geen meisje,’ hoor ik hem in de buurt van mijn rechteroor mompelen terwijl hij naar mijn scheiding zoekt. Afgeknipte punten kriebelen in mijn nek.

Even later verlost hij me van mijn cape, reikt hij me mijn jas aan. Ik voel me als een kind dat even voor superheld wilde spelen, nu van haar drang de wereld te redden wordt ontdaan. Ik denk terug aan de gesprekken met mijn vorige kapster: hoe haar antwoorden altijd half-af op me overkwamen, alsof ze een deel van haar gedachten voor me achterhield. Jij denkt veel, hè.

Ik denk niet genoeg.

Anne van den Dool

Anne van den Dool

Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationale Theater. Ook is ze curator bij het Literatuurmuseum. In 2014 debuteerde ze met de roman Achterland. In 2020 verscheen haar tweede roman, Vluchthaven. Ze publiceerde poëzie in onder andere Tirade, Poëziekrant en DW B.

Andere berichten

Anne van den Dool
juni 15, 2022
leidsCement
juni 14, 2022
leidsCement
juni 7, 2022