Een tijdlang dacht ik dat het woord ‘leescrisis’ alleen bekend was onder mensen die zich in de boekensector begeven. Maar de laatste tijd word ik regelmatig aangesproken door vrienden en kennissen die het woord ook ter ore is gekomen. Sommigen van hen kennen zelfs de dramatische onderzoekscijfers waaruit blijkt dat een kwart van de Nederlandse vijftienjarigen de middelbare school verlaat met een leesachterstand. 

Of het inderdaad zo ernstig is, vragen ze. Hoe bedroevend dat beeld voor mij als schrijver is. Wat ik denk dat we daaraan moeten doen.

Op die laatste vraag is mijn weinig bemoedigende antwoord: ik weet het niet. Ik weet dat op scholen de afgelopen jaren massaal leeskwartiertjes zijn ingelast, waarin leerlingen in een boek naar keuze moeten duiken. Ik weet dat op steeds meer onderwijsinstellingen indrukwekkende schoolbibliotheken te vinden zijn en dat de samenwerking met de openbare bibliotheek in de buurt ook steeds hechter wordt. Ik weet dat er allerlei spectaculaire activiteiten worden georganiseerd om het lezen aantrekkelijker te maken, dat er apps worden gebouwd die lezen en gamen met elkaar verbinden, dat schrijvers in allerlei campagnes worden neergezet als supersterren – alles om kinderen maar aan het lezen te krijgen.

Toen ik op de basis- en middelbare school zat, was van dat alles – in mijn herinnering, althans – geen sprake. Eens in de zoveel leerjaren was ik gezegend met een docent die het lezen een warm hart toedroeg en die het kwartier van de kleine ochtendpauze of de laatste tien minuten van haar lessen Nederlands vulde met een hoofdstuk uit een boek. Maar nooit gingen we naar grootschalige literatuurdagen voor scholieren, waar onder begeleiding van flitslichten en tromgeroffel een auteur aan ons werd voorgesteld. Ons werden geen folders in de hand gedrukt voor boekenweken voor jongeren. Hoogstens werden we aangemoedigd mee te doen aan gedichtenwedstrijden – want gedichten hadden in die tijd ongetwijfeld ook al een extra steuntje in de rug nodig.

Ik realiseer me maar al te goed dat ik ben opgegroeid in een andere tijd. Toen ik mijn eerste leesstappen zette, kreeg het gemiddelde huishouden net een internetaansluiting. Internetten liet zich nog niet combineren met bellen en het enige wat ik met die internetverbinding deed, was het sturen van mailtjes met felgekleurde achtergronden naar mijn eveneens internettende tante. 

Het wereldwijde web kreeg, kortom, nog niet de kans mij van het lezen af te leiden. Hoe anders is dat nu. We leven in een tijd waarin afleiding zich meer aan ons opdringt dan ooit – niet alleen tijdens het lezen, maar ook tijdens het koken, het lunchen, het afwassen en het tandenpoetsen. Niets krijgt meer de volle aandacht die het ooit kreeg – ook letters niet.

Zelfs ik, woordenlievende veellezer, ben niet ongevoelig voor die afleiding. Ook ik leg om de haverklap mijn boek weg om even Instagram te checken, een bericht te beantwoorden, mijn mail bij te werken. De aantrekkingskracht is onweerstaanbaar. Een apparaat dat ons toegang biedt tot zoveel prikkels, daar kan geen boek – een voorwerp dat je aanmoedigt het vooral allemaal zelf te verzinnen – tegenop. 

Wanneer vrienden mij vragen naar die zogeheten leescrisis, probeer ik de zaak altijd eerst te nuanceren. We lezen meer dan ooit, zeg ik: op Facebook, Instagram, Twitter, LinkedIn, de website van de Volkskrant. Niet het lezen verkeert in een crisis, maar het boek. De lange tekst die vraagt om diepgaande inspanning past niet goed meer in ons leven. We hebben last van een boekencrisis.

Het woord crisis duidt in de regel een relatief korte periode aan waarin een hoop misgaat, en waar we vervolgens weer bovenop komen. Bij deze boekencrisis is het maar de vraag of dat inderdaad gaat lukken. In die zin vind ik de term crisis in dit geval bijna optimistisch. De hoeveelheid afleiding in ons leven zal alleen maar groter worden en het aantal diepe lezers alleen maar minder. 

Of ik van dat vooruitzicht als schrijver droevig zou moeten worden? Ik ben bang van wel. Maar iets in mij houdt zich vast aan het idee dat na een crisis vaak een kantelpunt komt, dat we op wonderbaarlijke wijze weer allemaal aan het boekenlezen slaan. En tegelijkertijd denk zelfs ik soms, kijkend naar mijn kasten met boeken: wat ziet het er eigenlijk gek uit. Al die informatie in de vorm van pakken papier, terwijl ik digitaal alle woorden vind die ik nodig heb.

Het boek als brenger van betrouwbare informatie versus het internet als vuilnisbelt – voor boekenliefhebbers is dat een maar al te aantrekkelijk beeld: het maakt dat we ons verheven kunnen voelen boven onze vijand. Toch zou het mooi zijn als alle digitale mogelijkheden onze boekenervaring juist kunnen verrijken. Ik kijk reikhalzend uit naar de ontwikkelingen die het boekenvak gaat doormaken op het moment dat werkelijk het besef doordringt dat we het op deze manier niet redden. Misschien leren we dan wel dieper lezen dan ooit.

Anne van den Dool

Anne van den Dool

Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationale Theater. Ook is ze curator bij het Literatuurmuseum. In 2014 debuteerde ze met de roman Achterland. In 2020 verscheen haar tweede roman, Vluchthaven. Ze publiceerde poëzie in onder andere Tirade, Poëziekrant en DW B.

Andere berichten

Anne van den Dool
oktober 31, 2022
Anne van den Dool
september 19, 2022
Anne van den Dool
augustus 10, 2022