De vroege zon strijkt over de weilanden als de regiobus me afzet bij een groot kubusvormig schoolgebouw. Het eerste gegil van de dag klinkt al over de sportvelden naast het parkeerterrein. Met een zo recht mogelijke rug wurm ik me door de draaideur, die me de open ruimte van de aula in duwt. Honderden leerlingen hebben zich in groepjes verzameld, hangend rond de tafels. Sommigen trekken elkaar aan hun schooltas over de vloer. Het gelach van de meisjes klingelt boven de brommende jongensstemmen uit. Niemand lijkt zich iets van mij aan te trekken.

Bij de balie wacht, zoals beloofd, een jonge docent Nederlands me op. Hij is, vermoed ik, het type met genoeg hipheid om de leerlingen aan zijn kant te krijgen, zonder aan autoriteit te verliezen. Hij steekt zijn hand uit, vraagt of ik een goede reis heb gehad.

Terwijl ik achter de rug van de docent aan loop, vraag ik me steeds meer af waarom hij mij heeft uitgekozen om drie vmbo-klassen toe te spreken, aan hen te vertellen over mijn schrijverspraktijk. Ik besluit het hem te vragen.

‘Het leek me leuk, een jong iemand,’ hakkelt hij terwijl hij ongevraagd een plastic bekertje met gereinigd water vult. ‘En, eh, ik was een beetje laat met het samenstellen van het programma. Maar je boek is volgens mij heel goed ontvangen.’

Aha. Ik ben hier omdat de Schrijverscentrale geen sterauteur meer in de aanbieding had.

Wat ongemakkelijk zwijgend begeleidt de jongeman me naar een van de stuk voor stuk identiek ogende lokalen. Of het nieuwbouw is, vraag ik. Hij knikt, lijkt zich steeds bewuster van het effect van zijn ontboezeming.

Terwijl ik probeer mezelf een zo nonchalant mogelijke pose aan te meten, leunend tegen de tafel die voor het digibord staat opgesteld, druppelen de eerste leerlingen het lokaal binnen. Ik pulk aan de randen van mijn meegenomen romanexemplaar. De docent rommelt met het automatische open- en sluitsysteem van het raam, dat uitzicht geeft op kilometers grasland.

De stoeltjes vullen zich met rusteloze leerlingbillen. Het lawaai zakt langzaam weg. Na een korte introductie van de docent open ik zoals ik me had voorgenomen: ik vraag de groep hoe een schrijver eruitziet.

‘Sokken in sandalen,’ roept een kortgeschoren jongen op de eerste rij.

‘Sowieso een bril,’ voegt een kauwgom kauwend meisje toe.

‘Een héél lange baard,’ zegt een slungelige jongen, de klanken uitgerekt.

‘Een oude man, dus?’ vraag ik, mijn stem nog zachtjes trillend. ‘En wat doet die zoal de hele dag?’

‘Tikken op zijn typemachine,’ roept de eerste jongen weer.

‘Zitten op zijn zolderkamer,’ vult een ander aan.

‘Zonder te eten of te drinken,’ beweert een derde jongen met een verrassend lage stem.

‘Aha,’ reageer ik, zogenaamd nadenkend. ‘En wat ben ik dan?’

‘Een schrijver,’ vindt een meisje. ‘Je hebt toch een boek geschreven?’

‘Ben ik dan een man met een baard en sokken in sandalen?’ speel ik mee. ‘En zit ik de hele dag op mijn zolderkamer? Ik ben nu toch hier, bij jullie?’

Stilte. Gepeins.

Ik zeg tegen de groep wat ik ook aan mensen vertel als ze vragen hoe mijn romanroutine eruitziet: dat ik maandag tot en met vrijdag vul met het schrijven van teksten in opdracht – recensies, essays, nieuwsberichten, interviews – en mijn weekenden met proza en poëzie. Op zondagmiddag tussen twee en vier, dan werk ik aan mijn boek, zeg ik tegen de groep, die steeds meer lijkt te vergeten dat ze mijn bezoek vanuit hun basishouding als ongeïnteresseerde puber eigenlijk stom zouden moeten vinden.

In hun ogen zie ik de vraagtekens die ik ook van eerdere toehoorders herken: mijn bewering strookt niet met de gedachte dat je helemaal of helemaal geen schrijver bent. Schrijvers, dat zijn mensen die kunnen leven van hun boeken, is vaak de gedachte – terwijl in Nederland slechts een krappe honderd auteurs zich dat kunnen veroorloven.

Of ik dat niet graag zou willen, wordt me vervolgens vaak gevraagd. Net als menig fulltime schrijver ’s ochtends een rondje lopen langs de grachten van mijn woonplaats, vervolgens een krant openslaan bij een lokaal koffietentje om ideeën te verzamelen en tot slot thuis plaatsnemen aan mijn schrijftafel, waar ik peinzend doorwerk aan dat waarvoor ik leef: mijn nieuwe boek.

Ik weet dat ze het zo doen, de Kader Abdolahs en Connie Palmens van deze wereld. Ik heb het ze zelf horen vertellen, tijdens praatprogramma’s, in boekenshows. En toch, zeg ik ook tegen de leerlingen voor mijn neus, kan ik me voorlopig nog slecht voorstellen dat ik mijn leven enkel met schrijven vul. Bovendien ben ik voor mijn gevoel al fulltime schrijver, zij het van allerlei soorten teksten, en niet alleen van literatuur.

Terwijl ik naar de verbazing in de ogen van de jongens en meisjes voor me kijk, hun over elkaar buitelende vragen hoor, schieten mijn eigen overpeinzingen door mijn hoofd. Of mijn antwoord betekent dat alleen de literatuur niet genoeg voor mij is. Of het wil zeggen dat ik niet op één paard durf te wedden. Of deze keuze mij een minder goede schrijver maakt. Maar ik kan maar één ding concluderen: ik zie de wereld als een inspiratiebron waarmee ik graag op zoveel mogelijk manieren verbonden wil blijven.

Dat begrijpen de jongens en meisjes wel. Of misschien verslapt inmiddels hun spanningsboog, hebben ze geen zin in nog een discussie. Hun billen beginnen alweer onrustig heen en weer te schuiven op hun stoelen. In mijn ooghoek werpt de leraar een blik op de klok.

‘Goed meegedaan, klas,’ zegt hij terwijl hij opstaat en op de uitknop van het digibord drukt. ‘Ik zie jullie donderdag weer.’

Tassen worden op ruggen gehesen, handen plagend in kragen gegrepen. Bij de deur herschikken de lichamen zich tot een lange leerlingenrij, geven ze hun docent allemaal een hand.

Terwijl ik toeluister hoe ze de trap naar de aula af denderen, gaat mijn duim langs de pagina’s van mijn boek. Geschreven op zondagmiddagen, geschreven in tussendooruren. Een leven als schrijver – ik vraag me af hoe dat zou zijn.

Anne van den Dool

Anne van den Dool

Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationale Theater. Ook is ze curator bij het Literatuurmuseum. In 2014 debuteerde ze met de roman Achterland. In 2020 verscheen haar tweede roman, Vluchthaven. Ze publiceerde poëzie in onder andere Tirade, Poëziekrant en DW B.

Andere berichten

Sophie Jansen
augustus 3, 2021
Roos Tulen
augustus 2, 2021
leidsCement
juli 30, 2021