De antieke trouwauto rijdt sputterend het marktplein op, slalommend om onoplettende toeristen heen. Wij, vrienden en familie, staan voor hen klaar in een kronkelende haag. Ik zie haar ouders elkaar opgewonden aankijken, knijpen in andermans hand. Het papier dat ik in mijn handen houd, plakt ongemakkelijk aan mijn vingers.

Ik had me voorgesteld hoe het zou voelen wanneer ze uit de auto stapten. Ik ken mezelf: ik wist dat de eerste tranen zich al pesterig zouden melden wanneer hij de deur voor haar zou openhouden, haar hand zou pakken om haar langs de rijen mensen te begeleiden. Maar ik wist niet dat het meteen zo overweldigend zou zijn. En boven alles: ik had niet bedacht dat ik – zo lijkt het althans als ik om me heen kijk – de enige zou zijn met tranen in mijn ogen. 

Toen ik van het bruidspaar de vraag kreeg hen tijdens deze ceremonie toe te spreken, had ik tot wel vier keer toe benadrukt dat ik dat met liefde deed, maar dat ze moesten beseffen dat ze het reusachtige risico liepen dat ik het niet droog zou houden. Die uitspraak baseerde ik op verschillende eerdere ervaringen: toespraken bij uitvaarten en verjaardagen, maar ook de kleinere momenten, van het vertellen over een voorstelling die me pakte tot een bioscoopfilm waarbij de rest van de zaal het wel droog hield. 

Ik weet waar ze vandaan komen, die tranen. Hoe vaak heb ik mijn vader niet vol van emotie zien thuiskomen na een theaterstuk of concert, gezien hoe hij zijn tranen liet gaan terwijl hij mijn moeder en mij vertelde over wat hij had gezien en gehoord. Gevoelens die hij ook niet wilde binnenhouden: je kunnen laten raken door je omgeving was bij mij thuis altijd een groot goed. Iets waarvan je zelf kunt genieten omdat het fijn is te voelen dat iets je raakt, en iets waarvan een ander gelukkig kan worden omdat je je kwetsbaar opstelt. 

Des te bijzonderder vond ik het dus toen ik er in de loop van mijn jeugd achter kwam dat niet de hele wereld er zo over denkt. Niet huilen, werd me op het schoolplein toegesust als ik van het klimrek was gevallen. Droog je tranen maar, zei de juf toen ik verdrietig was om het overlijden van mijn opa. Waar heb je het over, vroeg de jongen met wie ik in de kroeg in een verhitte discussie verwikkeld raakte toen ik een pleidooi hield voor een samenleving waarin huilen meer wordt geaccepteerd. Een samenleving waarin we het geen teken van zwakte vinden als iemand diens emoties laat zien, maar een vorm van kracht. 

Ik begrijp dat mensen die tranen onhandig kunnen vinden. Dat vind ik ook, zeker op momenten waarop ik daardoor niet goed uit mijn woorden kan komen. Zoals op deze middag, als ik het bruidspaar mag toespreken tijdens de huwelijksceremonie op het stadhuis. Inmiddels weet ik dat het helpt om de tekst net zolang te oefenen tot ik ‘m met droge ogen kan opzeggen. Ik weet nu ook dat niet iedereen er zo over denkt als die jongen in de kroeg. Die ontroering maakt het toch juist bijzonder, zeiden mensen toen ik ze vertelde dat ik deze toespraak mocht geven, en over mijn angst dat ik door de tranen niet uit mijn woorden zou kunnen komen. Nu waren zij degenen die mij moesten overtuigen dat die tranen geen zwakte zouden zijn, maar een kracht. 

Ik krijg gelijk: terwijl die twee daar voor me zitten, in die klassieke trouwzaal met donkerbruine balken en fluwelen stoelen met verwachtingsvolle vrienden en familie om hen heen, breekt al midden in de eerste zin mijn stem. Een medewerker van de gemeente schuift me subtiel een doos met zakdoekjes toe. Het publiek lacht vergoelijkend. De aanwezigen zijn welwillend, merk ik: we willen het bruidspaar allemaal de mooist mogelijke dag bezorgen. Ik slik. Ik kan door. 

Ik durf bijna niet naar de bruid en bruidegom te kijken terwijl ik doorlees, af en toe opkijk, mijn papier omsla. Niet omdat ik bang ben dat ik verkeerde dingen zeg, maar omdat ik weet dat ik alsnog zal breken als ik welk vertederend detail dan ook zie: haar hand op zijn onderarm, een vinger waarmee hij een lok uit haar gezicht strijkt. In een film zouden het zoetsappige gebaren zijn, maar in deze context is iedere liefdevolle handeling er een van grote betekenis. 

Ik haper niet. Ik verspreek me niet. Mijn tranen blijven binnen. Dat is het wonder van het moment: als het erop aankomt, kan het opeens. Wanneer ik langs het bruidspaar terugloop naar mijn plaats op de eerste rij, kijken ze me beiden dankbaar aan. Ik twijfel of ik tranen in hun ogen zie. Ik besluit dat het me niet uitmaakt. 

📷 David Lok

Anne van den Dool

Anne van den Dool

Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze studeerde film- en literatuurwetenschap en neerlandistiek aan de Universiteit Leiden en de Université de Lille. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, de Koninklijke Bibliotheek en Het Nationale Theater. Ook is ze curator bij het Literatuurmuseum. In 2014 debuteerde ze met de roman Achterland. In 2020 verscheen haar tweede roman, Vluchthaven. Ze publiceerde poëzie in onder andere Tirade, Poëziekrant en DW B.

Andere berichten

Anne van den Dool
oktober 31, 2022
Anne van den Dool
september 19, 2022
Anne van den Dool
augustus 10, 2022