‘Niet bang zijn voor chaos,’ is het devies van Johannes Leertouwer voor zijn Brahms-project. Leertouwer promoveert op historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk en voert met zijn orkest – zonder bestaande audiobronnen – Brahms uit zoals dat in de 19e eeuw gebeurde. Terug naar de basis van de muziek, normen loslaten en accepteren dat deze andere manier van werken een zekere mate van chaos met zich mee brengt. In het onderzoek van Leertouwer komen kunst en kennis samen en is het eindresultaat een grote verrassing. Wij spraken Leertouwer over zijn inspiratie, zijn proces en het omarmen van verstand én gevoel.  

Een onderzoek als dit zou je ongetwijfeld op vele componisten kunnen toepassen. Waarom heb je specifiek voor het werk van Brahms gekozen?

‘Omdat hij schitterende, aangrijpende muziek schreef. En ook omdat het muziek is die een andere benadering verdient. Als je kijkt naar die historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk kun je zien dat die zich eerst op de barokmuziek gericht heeft en toen via klassiek – Mozart, Beethoven – naar de 19e eeuw. En daar stokt het een beetje. Dat komt doordat je niet goed uitkomt als je de uitvoeringsmethode van Mozart of Beethoven toepast op 19e-eeuwse muziek. Dat heb ik aan den lijve ondervonden. Deze historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk is onderdeel van de modernistische 20e-eeuwse traditie. Dat was in de jaren 60 een verzetsbeweging tegen de status quo, alles moest helemaal anders. Mijn onderzoek toont aan dat het roer helemaal om moet als we willen handelen naar wat we weten.

Ik verdiep me nu vooral in tempo-modificatie. Wij zijn gewend geraakt aan heel gelijkmatige uitvoeringen maar in de 19e-eeuw werd veel emotioneler met tempo omgegaan. Ik leid al meer dan 30 jaar violisten op, altijd met de spelregels die ook mijn leermeesters aan mij doorgaven: als je luider wordt, niet versnellen, als je zachter wordt niet vertragen. Dankzij dit onderzoek heb ik geleerd dat onze opvattingen over tempo een afrekening zijn met de 19e-eeuwse traditie.’

Eigenlijk ben je dus als restaurateur aan het werk gegaan.

‘Van iets heel beweeglijks, iets ongrijpbaars. Dat maakt het superspannend.’

Je promoveert hier aan de Universiteit Leiden, maar in een stad zonder muziekopleiding lijkt me dat niet per se voor de hand liggen. Waarom hier?

‘De universiteit heeft hier een unieke afdeling, de Academy of Creative and Performance Arts (ACPA). Toen mij gevraagd werd om op dit onderwerp te gaan promoveren had ik me ‘gewoon’ in Brahms kunnen gaan verdiepen maar ik vond het uitzicht om het 54e ongelezen boek over Brahms te schrijven heel onaantrekkelijk. Ja ik wilde dit doen, maar dan wilde ik er ook een praktisch component bij. Dat past heel goed bij ACPA, waar je op een klinkend resultaat kunt promoveren. The proof of the pudding is in the eating.

Leiden is Stad van Kunst en Kennis, waar die twee elementen vaak gezien worden als losse pijlers en niet als één geheel. Vind je het belangrijk om die elementen in jouw onderzoek samen te voegen?

‘Wat mij opvalt is dat vanuit de kunsten vaak met grote nederigheid het academisch bedrijf tegemoet wordt getreden. Het academisch bedrijf verdient respect, maar die nederigheid vind ik toch een beetje misplaatst. In beide domeinen, het academische en het kunstzinnige, gaat het uiteindelijk toch om een vonk van creativiteit. Een gedachtensprongetje. Wij moeten vanuit het kunstzinnige domein met kracht opkomen voor de werking en het belang van dat sprongetje. Anders gaan we met hangende pootjes proberen ons binnen het kader van de academische normen netjes te gedragen. Die vermenging van de domeinen is belangrijk voor beide disciplines, en daarin moeten beiden vanuit hun kracht opereren. Muziek is een domein waarin je heel goed voelbaar kunt maken dat verstand zonder gevoel weinig vruchtbare resultaten oplevert, en gevoel zonder verstand idem dito.’

Kun je voor mij als leek in hele simpele termen uitleggen hoe je te werk bent gegaan?

‘Als je wilt weten hoe uitvoering er in de 19e eeuw aan toe ging kun je niet vertrouwen op opnames. Je moet op zoek naar methodes, naar briefwisselingen, naar recensies en naar nog meer secundaire bronnen. Dat zijn droge letters, dat is nog geen muziek. Pas als je die gaat vertalen, op de werkvloer brengt en met collega’s uitprobeert ontstaan er nieuwe inzichten over de consequenties. We hebben al zoveel opgeschreven over hoe het eraan toeging maar we hebben nog veel te weinig in praktijk gebracht. Vooral met orkesten. Kamermuziek valt nog wel te regelen, met een pianist en een violist die een beetje gek doen. Maar zestig mensen samen uit het tempo laten treden, dat is een heel andere dynamiek. Je moet niet bang zijn voor chaos.’

Wat zijn de grootste struikelblokken geweest voor jou en je orkest?

‘Waar loop je tegenaan? Vooral tegen jezelf. En tegen een levenslange training waarin wij steeds maar weer dezelfde normen voor kwaliteit hanteren, waaronder de neiging elke vorm van chaos meteen uit te bannen. Het eindresultaat van die normen, van de huidige manier van leren, is dat alle orkesten ongeveer hetzelfde klinken. Vroeger had je nationale stijlen, tegenwoordig is een orkest een zeer internationaal bedrijf. Eigenheid in stijl verdwijnt. Wereldwijd zijn er misschien wel 10.000 orkesten maar hoeveel er dit kunnen, op basis van eigen onderzoek een anders klinkend resultaat presenteren? Ik tel er niet meer dan vijf. Alleen al daarom is het de moeite waard om dit tegengeluid te laten horen.’

Uiteindelijk ga jij dit orkest dirigeren, dus moet je toch met die chaos kunnen omspringen.

‘Als dirigent moet je goed onthouden dat jijzelf uiteindelijk geen geluid maakt. Je moet niet op een voetstuk gehesen worden als de persoon die alles weet, het gaat erom die kennis te ontsluiten. Juist dat geeft ons de kans om echt dingen te gaan uitproberen. Ik ben de musici ongelooflijk dankbaar dat ze bereid zijn om zich kwetsbaar op te stellen en zo nieuwe dingen ontdekken.’

Die kennis delen, ga je dat ook met het Leidse publiek doen?

‘Ik leg altijd graag dingen uit aan het begin van concerten, maar daar moet je mee uitkijken. Je wilt niet dat de mensen die alleen voor de muziek komen ontevreden raken. Het liefst deel ik een aantal vragen met het publiek en geef daarbij voorbeelden met het orkest. Na afloop ben ik benaderbaar, zeker hier in de Stadsgehoorzaal. Het contact met het publiek is cruciaal, op allerlei vlakken. Mensen die een kaartje kopen maken mijn onderzoek mede mogelijk. De capaciteit van de zaal is teruggebracht van 700 naar 100, je begrijpt wat dat doet met een van de financiële pilaren onder mijn project. Ik ben het Leids Universitair Fonds heel dankbaar voor de hulp om een deel van de schade op te vangen.’

En in een onderzoek dat gericht is op uitvoering is het publiek sowieso essentieel.

‘In deze tijd moeten we ontzettend goed nadenken over de dingen waarvoor we ons sterk maken. Je kunt niet zeggen dat de muziek weg is. Je hoeft maar je telefoon aanzetten of er is muziek, je kunt op elk moment van de dag ieder stuk horen dat je wilt. Wat we wel kwijtraken is het live in het moment delen van waar die muziek voor staat en wat het met ons doet. Dat blijkt een zeer groot goed, dat door veel mensen gemist wordt. Wat deze benadering met zich meebrengt is een grote mate van onvoorspelbaarheid in de uitvoering. Die dwingt enorm tot luisteren en vraagt om een actieve houding. Je zit op het puntje van je stoel.’

De uitvoering live meemaken? Dat kan op zaterdag 19 september in de Stadsgehoorzaal. Tickets reserveren kan hier.

Sophie Jansen

Sophie Jansen

Andere berichten

leidsCement
september 25, 2020
leidsCement
september 24, 2020